Hoe anders durft de transgender te zijn?


Na jaren in de VS te hebben gewerkt in de transgenderzorg, viel het Arianne van der Ven op hoezeer Nederlandse transen hun best doen zo 'gewoon' mogelijk te zijn. De behoefte aan assimilatie weerspiegelt zich in een gebrek aan solidariteit én een rigide transgenderzorg. Dat ziet er in de VS heel anders uit.

Boston 1998. Twaalf messteken. Ze lag bebloed in haar huiskamertje. Dood, in Roxbury, een zwarte achterstandswijk. Nu lopen driehonderd transgenders met lampionnetjes door haar buurt. Haar zwarte familie loopt voorop. Als de stoet langs haar huis komt, krimpt de moeder ineen en schreeuwt: 'What have they done to you? My little boy. What have they done to you?' Ze kruipt over de stoep. Haar kinderen staan versteend. Een zwarte travestiet helpt de moeder omhoog en de tocht gaat verder. 'My little boy! My little boy!', gilt de moeder. Simone was de tweede transgenderprostituee die dat jaar vermoord werd in Boston Massachusetts.

Amsterdam 1996. 38 Zuid-Amerikaanse transgenderprostituees worden gedeporteerd uit Nederland. Ze zouden te agressief zijn en de junkiehoertjes intimideren. In de pers wordt de politieactie toegejuicht. Niemand vertelt over de agressie die juist deze meiden van hun cliënten te verduren hebben. Na een molestatie durven zij niet naar de politie of de GG&GD, vanwege hun immigratiestatus en de ervaring met hun eigen overheid - in Zuid-Amerikaanse landen worden opgepakte transgenderprostituees niet zelden gemarteld door de politie. Uit de Nederlandse transgender- of homo-'gemeenschap' wordt ten tijde van de uitzetting niets vernomen.

Verkleedhobby

In Boston, de stad waar ik mijn eigen transitie doormaakte, werkte ik een aantal jaar als psycholoog met transgenders. Het schrille contrast tussen de solidariteit onder transgenders in de VS en in Nederland heeft me beziggehouden sinds ik terug ben. Nederlandse transen lijken wat solidariteit betreft weinig op hun Amerikaanse zusjes, en veel meer op Nederlandse homo's en lesbo's. Gewend aan de Amerikaanse situatie, trof het me in Nederland dat alle minderheden uit dezelfde cookie cutter lijken te komen. Het is alsof zij allen dezelfde emancipatiestrategie volgen, door homologen ook wel assimilatiestrategie genoemd. Dit houdt in dat seksuele minderheden benadrukken volstrekt gewone mannen en vrouwen te zijn, die toevallig in het verkeerde lijf geboren zijn (transen), gewoon een andere seksuele voorkeur hebben (lesbiennes) of alleen maar een leuke verkleedhobby hebben (trava's en dragkings).

Nadelig gevolg hiervan is dat minderheden hun gemeenschappelijke verschil ten opzichte van de meerderheid minimaliseren, door de onderlinge verschillen te maximaliseren. Homo-bobo's stipuleren dat zij alleen maar kunnen lachen om mannen in jurkjes, en meer serieuze trava's vertellen omgekeerd niets met homo's van doen te hebben. Misschien vinden groepen met meer afwijkingen van de norm daarom ook geen zegslieden, zoals transen die sekswerk doen en geen verblijfstatus hebben. We willen in Nederland allemaal zo 'gewoon' mogelijk zijn. Deze angstvalligheid maakt dat van alle seksuele minderheden tezamen weinig vernieuwende werking uitgaat. De heteroseksistische hegemonie blijft onuitgedaagd. Renée Hoogland zou haar oproep tot een lesbisch reveil een aantal LOVER-nummers geleden wel eens in het verkeerde land gedaan kunnen hebben.

Eerlijk is eerlijk: de grote assimilatie heeft in Nederland wel geleid tot een veel toleranter en behulpzamer klimaat dan in de VS. Vooral voor transen. De Nederlandse overheid en verzekeraars spenderen enkele miljoenen per jaar om transen de medische hulp te bieden waar zij voor hun levensperspectief van afhankelijk zijn. Het geld wordt echter door medici en hulpverleners verdeeld; zij bepalen welke trans hulp krijgt. De dominante positie van de medische autoriteit marginaliseert de stem van de transen zelf en houdt een strikt assimilatiebeleid in stand, dat als eerste verwoord werd door Harry Benjamin. Deze Amerikaanse psychiater zette in 1964 zijn carrière op het spel door te pleiten voor regulatie van de gewenste uitkomst door een strakke selectie en een strak medisch, sociaal en juridisch protocol.

In Nederland is bijvoorbeeld een gedeeltelijke behandeling, al was het maar met het oog op de vruchtbaarheid, onbespreekbaar. Men wil in de woorden van de genderteams 'geen hermafrodieten maken'. Medische hulp of gesprekstherapie worden niet geboden aan hen die hun identiteit niet eenduidig als mannelijk of vrouwelijk bestempelen, die ambivalente gevoelens hebben over het aanpassen van (al) hun geslachtsdelen of die zich depressief tonen omdat zij veel verdriet en verlies ervaren. Voorafgaand aan enig hulptraject dient men tot een onomwonden besluit te zijn gekomen over wat men wil. Afgezien van de ethische vraag naar het normatieve doel van deze zorg, is het de vraag of deze hulpverlening haar doel niet voorbijschiet. Is het wel goed om de hulpverlening zo hoogdrempelig en rigide te maken en mensen lange tijd in een zorgvacuüm te laten? Tegenover de duizenden die de genderteams aan een volledige lichamelijke transitie geholpen hebben, staan volgens onderzoekers als Paul Vennix van het Nisso - het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksuologisch onderzoek - weer duizenden voor wie alle hulp onbereikbaar blijft.

Braderieën

In Noord-Amerika worden hulpverleners die zich specialiseren in transgenderzorg 'genderspecialisten' genoemd. Anders dan hun Nederlandse collega's werken ze niet vanuit een ziekenhuis, hebben zij een grote affiniteit met de transgendergemeenschap en blijven die ook vaak decennialang trouw. Zij hebben een geheel andere expertise opgebouwd en zien de transseksuele identiteit niet als een gegeven, maar als iets dat door de tijd heen groeit, vaak beginnend met slechts een paar aspecten van gender-expressie (zoals kleding en rolgedrag) en soms uitgroeiend naar aspecten als lichaamsbeleving, zelflabeling en affectieve identiteitsbeleving (een relatie aangaan als man, vrouw of trans). Anders dan bij de Nederlandse trans wordt in Boston ieder stapje uit de kast, of men zich nu voor het eerst omkleedt of tot een genitale operatie besluit, gezien als een transitie op zich, met allerlei mogelijke effecten op de zelfbeleving en leefomgeving. Genderspecialisten werken met alle groepen transgenders, ongeacht de uitkomst van de transitie (trava, transgenderist of trans). Allerlei voorlopige transitie-uitkomsten die in Nederland zijn uitgesloten, behoren in Noord-Amerika wel tot de mogelijkheden, zoals een borstverwijdering zonder voorafgaande hormoontherapie (en dus met behoud van vruchtbaarheid).

In de VS geschiedt de transzorg op maat. Staatsoverheden subsidiëren de gezondheidszorg alleen op een indirecte manier, via algemene middelen voor zorg aan hen die weinig verdienen. Er is geen Gezondheidsraad die ingewikkelde besluiten hoeft te nemen. In een stad als Boston komt de overheidszorg voor transen neer op zeven instellingen voor gratis hormoonbehandeling en gesprekken. Zij die hun verdere zorg niet kunnen betalen, zijn aangewezen op de community om het leven draaglijk te maken. Vooral jeugdige transen uit achterstandswijken lopen hoge risico's. Transen hebben weinig te verliezen van hun overheid, maar juist daardoor kunnen zij bijdragen aan het publieke debat over gender in de kranten, de politiek en in een nieuw academisch werkveld, ook wel transgender studies genoemd.

Doelgeslacht

In de Amerikaanse 'laissez faire'-omgeving zijn transgenderorganisaties grassroots: ze komen voort uit de gemeenschap zelf, hebben een sterke lotsverbondenheid en een eigen stem. Ze werken aan hun zichtbaarheid en organisatie met straatfeesten en braderieën in stadsparken. Ieder jaar is er in de hoofdstad van elke staat een Transgender Lobby Day, gevolgd door een National Transgender Lobby Day in Washington DC. Transgenders uit alle staten bewandelen dan de gangen van de macht in het Rayburn Building - waar de representatives en senatoren kantoor houden - en vragen hun om voor een actueel voorstel te stemmen.

In de VS speelt de nationale politiek echter niet zo'n dominante rol als in Nederland. De echte successen worden geboekt in bedrijven en in de plaatselijke politiek. In de laatste vier jaar hebben bedrijven als NBC, American Airlines, AT&T, Intel, Apple, en Lucent Technologies transgendervriendelijke personeelsrichtlijnen opgenomen. Vijf steden hebben plaatselijke verordeningen opgesteld die 'vrijheid van gender-expressie' garanderen en vier staten, waaronder Californië, zullen volgend jaar soortgelijke wetgeving overwegen. Vooraanstaande media zoals Times Magazine, The New York Times en The Washington Post beschrijven de transgender movement als een nieuwe minderheid in de politieke arena.

Volgens Riki Ann Wilchins, leidster van de actiegroep Transsexual Menace en auteur van het boek Read My Lips, hebben transen hun succes te danken aan een verbreding van hun boodschap. Transen leggen niet langer de nadruk op hun discriminatie, maar op de beperkingen die wij allemaal ondervinden. Gender lijkt zo'n natuurlijke sociale norm dat wij haar met een bijna onwillekeurige wreedheid toepassen. Als voorbeeld noemt Wilchins het geval van Tyra Hunter, die overleed na een auto-ongeluk omdat het ambulancepersoneel haar mannelijke genitaliën ontdekte en zich een kwartiertje vrolijk maakte alvorens eerste hulp te verlenen. Transen verbinden dit soort voorbeelden niet zozeer aan discriminatie van transen, maar aan meer alledaagse vormen van gendermisère. Zoals de wanhoop van de man die zichzelf verwijt dat zijn carrière niet opschiet, de vrouw die bang is te veel ruimte in te nemen en iedereen die ooit bang is geweest te falen als dochter of als zoon. Het is voor ons allemaal belangrijk om minder normatief over gender te worden, zo luidt de boodschap. En de breedte van die boodschap zou verklaren waarom bijna alle feministische en homo-organisaties nu transinitiatieven ondersteunen.

In Amerika

Toch komt ook in de VS veel van wat over transen geschreven wordt voort uit besognes van anderen. Feministen, lesbiennes en homo's ruziën er over het al dan niet queer zijn van transen. Wie transen toch niet zo bruikbaar vindt als toonbeeld van subversiviteit of parodie op genderrollen, schuift de transseksuele ervaring weer als wezensvreemd aan de kant. Maar wat transen aan de andere minderheden te bieden hebben, schuilt juist in het authentiek menselijke van hun problematiek; neem de angst, de rouw en de dreigende eenzaamheid van de uitbehandelde trans die nog steeds een onbeholpen parodie lijkt van haar doelgeslacht. In Nederland is haar aanwezigheid zo pijnlijk omdat haar aangezicht ons de grenzen van de assimilatiestrategie aantoont. Haar dagelijkse leven kan geen deel zijn van de licht verteerbare werkelijkheid die in de Nederlandse gender- en homostudies gecreëerd wordt. Nederlandse minderheden ontlenen hun rechten en relatief pijnloze coming out immers aan het minimaliseren van het anderszijn. Juist het erkennen van het kwetsbare anderszijn, maakt het de Amerikaanse trans mogelijk om zichzelf als mens te accepteren, door de transitie heen te gaan, als gemeenschap een stem te hebben en als individu weer relaties aan te gaan. De diepste scheidslijn tussen Amerikaanse en Nederlandse minderheden is misschien wel een existentiële. Waarmee maar gezegd is: De vaart vermindert, de zonnige menigte lonkt... de boot is sierlijk aangelopen. En ik zal nooit meer helemaal thuis zijn.

Arianne van der Ven werkte van 1995 tot 1999 voor de Beacon Hill Multicultural Psychological Association in Boston, een community based consultatiebureau verbonden aan de Boston University. Daarvóór werkte zij als journaliste, gespecialiseerd in HIV en aids. Na haar verblijf in de VS werkt zij in Amsterdam als docent en coördinator voor het Sex, Gender & Identity Program van de International School of Training.


Bron: Lover, 2002/3
Door: Arianne van der Ven

Terug naar index