Overschrijden we een grens door jonge transseksuelen al voor hun puberteit met hormonen te behandelen? Wie zich erin verdiept, kan zich moeilijk verzetten tegen vergaande ingrepen die menselijk lijden verzachten.

Begin dit jaar trok een schokgolfje door Nederland: jonge transseksuelen krijgen een hormoonbehandeling om hun puberteitsontwikkeling te stoppen, zodat zij na een geslachtsoperatie als een geloofwaardige man of vrouw door het leven kunnen gaan. In kleine kring mocht deze aanpak langer bekend zijn, maar dat de maakbaarheid van de mens zo ver was gevorderd, was voor de meesten nieuw. En het leek erg kras. Te kras, volgens sommige critici.

Loopt op die manier de oprukkende correctiecultuur, waarin mensen oneindig blijven sleutelen aan hun lijf en hun psyche, niet danig uit de hand? Of het nou euthanasie betreft, die de verlossing uit het lijden beoogt, of cosmetische chirurgie die onvrede met het fysieke voorkomen wil beperken, in brede lagen heerst twijfel over de vraag hoever de mens mag ingrijpen. Mooi dat er zo veel kan, maar moeten er niet ergens grenzen worden gesteld? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waar moeten ze dan liggen?

Gaat, met al die hormoonpreparaten en medische ingrepen, ook de bestaande seksedichotomie, de tweedeling van mannen en vrouwen, niet al te luchthartig op de schop? Nog even en jongeren gaan voor hun achttiende verjaardag een geslachtsoperatie vragen! Met hun grensoverschrijdend gedrag creëren de transseksuelen verwarring en chaos. Moet de wetenschap bevorderen dat de wereld op zijn kop gaat staan? Moeten we daar ons belastinggeld aan spenderen?

En waarom al die gekkigheid? Voor een stel mannen die weleens op tv of in de tram te zien zijn. Met blauwe oogschaduw boven een scherpe kaaklijn en een handtas die geen normale vrouw draagt. Oké, moet kunnen, maar een beetje raar blijft het. Gekunstelde mannen op hoge hakken, daar valt moeilijk spontane sympathie voor op te brengen. Zware make-up wijst minder op ongelukkig zijn, eerder op aanstelleritis en exhibitionisme. Moeten we jongeren bewust en medisch gesteund die kant op leiden?

Mogen dit de befaamde onderbuikgevoelens van de samenleving zijn, ook serieuze wetenschappers twijfelen. De Leidse ethica Heleen Dupuis vindt het 'merkwaardig' dat al bij jonge adolescenten de diagnose transseksualiteit wordt gesteld en wordt begonnen met hormoonbehandelingen. In haar optiek zijn dergelijke vroege verlangens nog te diffuus om vergaande conclusies te trekken. En lijken de genderspecialisten er te weinig op gebrand de wens van geslacht te veranderen, tegen te gaan.

De Rotterdams psychotherapeuten Froukje Slijper is niet per se tegen medisch ingrijpen, maar merkt op dat kinderen met genderstoornissen soms zo 'obsessief' bezig zijn met hun lichaam dat je je af kunt vragen of er niet iets anders speelt dan onvrede met het geslacht. Psychoanalytica Iki Freud-Halberstadt zei in de Volkskrant: 'Ik vind het nogal ver gaan jonge mensen eerst kapot te maken om daarna te kijken of ze heel worden.'

De vraag is of medische behandelingen wel de oplossing kunnen bieden voor wat primair psychisch leed is. Of de geneeskunde geen terrein betreedt waar haar vermogens niet liggen. Of zichzelf daarin ernstig overschat.

Een hormoonbehandeling mag omkeerbaar zijn, een operatie is dat niet. Een geslachtsoperatie kan de poort naar een nieuw leven lijken, maar of het daarna werkelijk op rolletjes loopt, is maar de vraag. Transseksuelen zijn levenslang veroordeeld tot medicatie en tot nadrukkelijker 'onderhoud' van hun veranderde lichaam. Seks kan wel, kinderen krijgen niet. Sociale acceptatie, het vinden van een partner, het vinden van een baan, ofwel gelukkig worden, dat valt allemaal nog te bezien.

Dupuis vreest dat vooral pubers, oplossingen krijgen voorgeschoteld die op de lange termijn niet zo ideaal uitpakken als wordt gedacht. Ook betwijfelt ze of diepgaand genoeg is onderzocht hoe het de talloze transseksuelen die vanaf de jaren zeventig zijn geopereerd, is vergaan. 'Er zijn diep ongelukkige mensen die spijt hebben van hun operatie, daar wordt aan voorbijgegaan. Er is te veel eagerness voor zo'n behandeling.

De storm van verbazing en kritiek trof niet alleen het Amsterdamse VU-ziekenhuis waar deze hormoonbehandelingen worden gegeven. Vooral Peggy Cohen-Kettenis, hoogleraar genderontwikkeling en psychopathologie in Utrecht, moest zich verantwoorden. Zij begeleidt jonge kinderen met genderproblemen die zich absoluut niet gedragen zoals hun fysieke sekse voorschrijft. Kinderen die niet blij zijn een jongen of meisje te zijn, en dolgraag van geslacht willen veranderen.

Onlangs werd in Utrecht, inmiddels in alle rust, een symposium gehouden over genderstoornissen. Duidelijk werd hoe rommelig en onvoorspelbaar de natuur soms is met de afwerking van vrouw of man. Er zijn kinderen die met beide geslachtskenmerken ter wereld komen, vroeger hermafrodieten genoemd. Er zijn meisjes die een vagina hebben waaronder ingedaalde teelballen huizen. Er zijn kinderen die een perfect mannelijk of vrouwelijk lichaam hebben, maar zich in hun geslacht niet thuis voelen. Hun genderidentiteit, in vaktermen, spoort niet met hun lichamelijke kenmerken.

Juist omdat bij deze jongeren niets afwijkends aan het lichaam valt te zien, is het zo raadselachtig en onbegrijpelijk dat een meisje een onderbroek met een gulp wil, en een jongetje een badpak wil dragen. Raadselachtig blijft ook hoe men tot een trefzekere diagnose van deze jonge transseksuelen kan komen. Hoe kun je doordringen in de geest die zich niet thuis voelt in een lijf?

Cohen-Kettenis benadrukt allereerst dat transseksualiteit niet een vaag gevoel is, onderhevig aan modegrillen. 'We hebben te maken met diep existentieel lijden. Toen men in de jaren zeventig in Nederland met operaties begon, kwam men zeer depressieve mensen tegen. Suïcide kwam in deze groep erg vaak voor.'

Over de oorzaken van transseksualiteit valt nog weinig met zekerheid te stellen. Ook het stellen van de diagnose is geen sinecure. 'Juist omdat het zo ingewikkeld en vergaand is, zijn we maanden en soms jaren bezig te onderzoeken wat er bij een kind aan de hand is. We kijken of er geen sprake is van andere stoornissen, of er sprake is van verstoorde verhoudingen in het gezin. Als er in het gezin incest voorkomt, kan een meisje om die reden liever een jongen willen zijn. We gaan echt niet over een nacht ijs. We hebben absoluut een ontmoedigingsbeleid.'

Cohen-Kettenis betreurt dat het publiek vaak een verwrongen beeld heeft van de 'omgebouwde' transseksueel. Een beeld dat vaak wordt gemengd met dat van de travestiet. 'Ik zie veel primaire transseksuelen. Jongeren die eenmaal geopereerd door niemand meer worden opgemerkt als transseksueel. Mensen die een onopvallend leven leiden en voor geen goud op tv willen. Juist die ''onopvallende'' transseksuelen treden niet graag in de publiciteit.'

De Utrechtse hoogleraar bestrijdt dat er weinig onderzoek voorhanden was over het reilen en zeilen van geopereerde transseksuelen. 'Er zijn 75 follow-up studies gedaan.' Momenteel wordt langlopend onderzoek afgerond waarin transseksuelen vanaf de aanmelding tot minimaal vijf jaar na de operatie werden gevolgd.

In Nederland zijn inmiddels tweeduizend mensen geopereerd. Naar spijtoptanten is, aldus Cohen-Kettenis, wel degelijk gezocht. Met moeite werden er tien, twaalf gevonden. 'Al zullen er ongetwijfeld meer zijn.' Vaak zijn het mensen met tal van andere problemen. Volgens Cohen-Kettenis hebben vooral oudere transseksuelen die op latere leeftijd tot een geslachtsoperatie besloten, moeite met sociale acceptatie. Zij waren al volledig man of vrouw, en lijken daarom na de operatie niet zo 'echt'.

Wie zich beroept op een religieus verbod op het herscheppen van man en vrouw, of 'snijden' in een gezond lijf per definitie onoorbaar vindt, is snel klaar. Lastiger wordt het, goed en kwaad te bepalen als zo'n bovenmenselijk ijkpunt ontbreekt. Wie zal dan zeggen dat het ene lijden wel, het andere lijden niet verholpen mag worden?

Psychisch lijden is een mer a boire. Wat de een pech noemt waar je mee moet leren leven, beschouwt de ander als een onrechtvaardige tragedie waartegen alle beschikbare middelen moeten worden ingezet. In die algehele koersloosheid zoekt men, ironisch genoeg, houvast in de biologische oorsprong der dingen.

Nog niet zo lang geleden werd biologistisch denken, het rechtstreeks verklaren van gedrag door biologische kenmerken, verderfelijk gevonden. Nu wordt de bewezen, en inderdaad van de gemiddelde man en vrouw afwijkende hersenstructuur van transseksuelen, aangegrepen als geldig bewijs voor het anders-zijn en anders-voelen, voor de mogelijkheid van het lijden daaraan en de wens daarin verandering te brengen. Leve de biologie, transseksuelen verzinnen zichzelf niet!

Cohen-Kettenis: 'Ik ben er inmiddels van overtuigd dat bij sommige transseksuelen psychische behandeling niet helpt.' Dan nog, zegt zij, kun je tegen medische behandeling zijn, 'maar dan is het een kwestie van standpunt, niet van wetenschappelijk onderbouwde argumenten.'

Wie zijn oordeel niet van hogerhand laat afhangen, maar zich verdiept in het menselijk leed, in de ervaringen van deskundigen, vertrouwen heeft in de onderzoeken en de gemeten hersenafwijkingen toelaat als bewijs voor anders-zijn, die kan moeilijk tegen de, vergaande, medische ingrepen zijn om dit menselijk lijden te verzachten. Hoera, het is een mensje, heet een net uitgekomen boekje van ouders van kinderen met genderproblemen. Dat sekse-overschrijdende mensje gun je het beste wat naar menselijke maatstaven kan en aan middelen voorhanden is.


Bron: Volkskrant, 13 november 1999
Door: Mirjam Schöttelndreier

Terug naar index