| |

Transseksuele gedetineerde in de ban van ons tolerante land
HEIDELBERG - Ludwig was 13 jaar toen hij op de televisie een film zag
waarin een vrouw zich opmaakte. "Die beelden gaven mij een bijzonder
gevoel. Het was een mengeling van opwinding en angst, omdat ik niet wist
wat er met me aan de hand was. Ik had toen al wel het idee dat ik anders
was dan andere jongens. Vooral het kleuren van de lippen had indruk op me
gemaakt. Ik wilde ook een lippenstift om net zo mooi te kunnen worden als
die vrouw uit de film. Maar cosmetica durfde ik natuurlijk niet te kopen.
Ik moest uit stelen." Later werd Ludwig duidelijk dat de innerlijke
verwarring een naam had: transseksualiteit.
De kruimeldiefstal betekende het begin van een criminele carrière waarvan
hij tot op de dag van vandaag de strafrechtelijke gevolgen ondervindt.
Ludwig werd in 1990 wegens een geweldsmisdrijf tot acht jaar veroordeeld
met daaraan toegevoegd een bepaling op grond van paragraaf 63, welk
artikel in ons land kan worden vergeleken met een terbeschikkingstelling
voor een psychiatrische behandeling van onbepaalde duur.
Het anderszijn bleef ook in de gevangenis een overheersende rol spelen.
Hij diende van achter de tralies een verzoek in zijn voornaam te mogen
wijzigen, waartoe de autoriteiten zes jaar geleden toestemming gaven.
Sinds 8 december 1995 heet hij voor de Duitse burgerlijke stand Beatrice
Christin. "Ik heb het mezelf niet gemakkelijk gemaakt. Uit alle
meisjesnamen die ik mooi vind, heb ik er twee gekozen met een Franse
klank. Beide mochten niet meer dan acht letters tellen. Op het moment van
die keuze had ik nog niets met Nederland. Dat is pas later gekomen en het
is misschien geen toeval dat ik me Beatrice ben gaan noemen. Maar zeg
alsjeblieft Bea en geen mevrouw. Anders voel ik me zo oud. Ik ben nog maar
zesendertig."
Bea was twee jaar geleden voor het eerst van haar leven in Nederland. Zij
vluchtte uit de psychiatrische strafinrichting voor mannen bij Heidelberg
waar zij was ondergebracht, ook nog nadat zij een meisjesnaam had mogen
aannemen. In september 1999 oefende Amsterdam net zo'n aantrekkingskracht
op haar uit als de lippenstift toen zij nog een jongenspuber was. "Het is
de stad van de tolerantie. Ook voor transseksuelen. Daar had ik natuurlijk
veel over gehoord en daar wilde ik hoe dan ook naar toe. Ik ben er alle
hulpverlenende instanties afgeweest. Van het COC en de Rutgers Stichting
tot en met de Rode Draad, iedereen was aardig voor me. Ik wilde de mensen
bedanken, maar sprak nauwelijks Nederlands. 'Wat zijn jullie lief', zei
ik, terwijl ik nu weet dat ik had moeten zeggen: 'wat zijn jullie
aardig'."
Na drie dagen werd Bea op verzoek van de Duitse politie door Amsterdamse
collega's aangehouden. De bondsrepubliek diende een uitleveringsverzoek
in, waartegen de Amsterdamse advocate mr. N. Cuvelier namens Bea verweer
voerde. Zij zegt: "Mijn cliënte is uit wanhoop haar vaderland ontvlucht.
Haar transseksualiteit werd in Duitsland niet serieus genomen. Uitlevering
was niet te voorkomen, maar er zijn wel garanties afgegeven dat zij nu
beter zal worden behandeld."
Begin juni van dit jaar werd Bea aan de autoriteiten van haar vaderland
overgedragen. Sindsdien zit ze weer achter dezelfde tralies van de
psychiatrische strafinrichting voor mannen waaruit zij eerder wist te
ontsnappen.
De bezoekersruimte is niet meer dan een kleine kamer. Aan een tafeltje is
een gedetineerde in gesprek met zijn moeder, twee bewakers zitten in een
hoek en Bea biedt direct koffie aan met kerststol, die ze speciaal heeft
gekocht. Ze is roodbruin gepermanent en haar nagels zijn oranje gelakt met
daarop glinsterende steentjes in de Nederlandse driekleur. De verfraaiing
heeft haar vijf uur werk gekost.
"Ik heb in Nederland de mooiste tijd van mijn leven gehad. Ik ben er niet
één keer gepest, gekwetst of gediscrimineerd. In Nederland werd mijn
transseksualiteit serieus genomen en daarom werd ik ook van Lelystad naar
de vrouwengevangenis in Zwolle overgeplaatst. Mijn toekomst ligt in
Holland: het is er zo mooi groen, er zijn zoveel paarden en koeien in de
wei, de dorpen hebben nog zulke mooie klederdrachten en de mensen zijn er
zo aardig."
Bea laat niets na om het geromantiseerde beeld dat ze van ons land heeft
in stand te houden en nog te versterken door een zelfbedachte
inburgeringscursus, waartoe ze telefonisch en schriftelijk contacten legt
met Nederlandse instanties en organisaties.
Haar celruimte is voor buitenstaanders verboden terrein, maar ze heeft een
aantal attributen mee naar de bezoekersruimte genomen. Zoals de nationale
driekleur die ze als een stola om zich heen slaat en een cd van het
Wilhelmus in de uitvoering van de Marinierskapel uit Rotterdam met een
door de ambassade in Berlijn verzorgde tekst. "Daar begrijp ik nou niets
van", zegt ze met enige verontwaardigding in de stem. "Dat Nederlanders in
hun volkslied zingen over Duits bloed."
Haar collectie Nederlandse spullen is niet compleet zonder de ingelijste
portretten van de leden van ons koningshuis. Om onze taal nog beter te
leren spreken dan ze nu al doet, staat de radio in haar cel de hele dag
afgestemd op de Wereldomroep in Hilversum. Ze heeft de prestaties van
Oranje op de voet gevolgd en er de pest over in dat de Duitsers volgend
jaar wel naar het WK voetbal in Azië gaan en "wij" niet.
Het lot was Bea, of eigenlijk Ludwig, van jongs af aan niet gunstig
gezind. Moeder zat in het leven en vermoordde vader toen het kind 3 jaar
oud was. Ludwig werd na het drama uit huis geplaatst om er nooit meer in
terug te keren. "Ik ging naar de nonnen. Dat waren andere vrouwen dan
degenen die ik als 13-jarige zich in de film mooi zag maken. Dat deden de
nonnen niet. Maar ik kreeg er wel mijn eerste klappen."
Om de metamorfose van Ludwig naar Bea en van Duitser naar Hollandse te
kunnen voltooien, moeten er nog een paar wensen in vervulling gaan:
invrijheidsstelling en een geslachtsveranderende operatie. "Met een korte
vluchtonderbreking zit ik nu bijna elfeneenhalf jaar gevangen. Veel hangt
af van de uitkomst van een extern psychiatrisch onderzoek. Maar mocht ik
een nieuw leven gaan beginnen dan zal dat in Holland zijn."
Een bewaker geeft aan dat de gesprekstijd van anderhalf uur om is. Bea
staat op, geeft een hand en zegt: "Einde oefening! Dat heb ik in Zwolle
geleerd. Dat zeiden die meiden daar ook."
Bron: Telegraaf, 17 december 2001
Terug naar index
|
|