| |

Homomannen zijn vrouwelijker dan
hetero's. En voor veel transseksuelen heeft de wens tot geslachtsverandering
een zware erotische lading. Dat schrijft de Amerikaanse psycholoog Michael
Bailey in zijn nieuwe boek, dat heftige reacties heeft uitgelokt.

Homoseksuele mannen praten en lopen gemiddeld vrouwelijker dan hetero's. Het
is een aanwijzing dat hun hersenen een 'mozaïek' van mannelijke en
vrouwelijke kernen huisvesten. En veel mannen die zich tot vrouw laten
ombouwen, passen niet in het gevestigde beeld van 'een vrouw die van jongsaf
is gevangen in een mannenlijf.' Integendeel, schrijft psycholoog Michael
Bailey in zijn populair-wetenschappelijke boek
The Man Who Would Be Queen,
hun verlangen naar een geslachtsveranderende operatie ontstond niet zelden
uit een erotische obsessie met zichzelf als vrouw.
Als de Amerikaanse psycholoog en seksonderzoeker Michael Bailey had gehoopt
de kussens in zijn politiek correcte vakgebied eens op te schudden, dan is
hij daarin goed geslaagd. Bailey slaat in zijn boek het ene na het andere
taboe aan diggelen. Woedende reacties zijn z'n deel. Transseksuelen riepen
de uitgever op het "lasterlijke" werk uit de handel te nemen. Tegenstanders
beschuldigen de auteur junk science te verkopen die de
maatschappelijke acceptatie van transseksuelen en homoseksuelen in gevaar
brengt. "Michael Bailey,"
schreef biologe Joan Roughgarden van Stanford University aan de
president van de Amerikaanse Academie van Wetenschappen, "is de wegbereider
voor homovervolging op wetenschappelijke basis, zoals wetenschappers in
nazi-Duitsland de fundamenten legden voor her verwijderen van joodse
elementen uit het Arische ras."
Bailey's werkgever, Northwestern University in Chicago, onderzoekt inmiddels
klachten van transseksuelen die menen zonder hun toestemming te zijn
gebruikt voor 'onderzoek', maar de auteur zegt dat het geen formeel
onderzoek betrof. Lichtelijk onthutst door alle ophef heeft Bailey de
promotie van zijn boek gestaakt. "De lezingen stimuleerden de verkoop ook
niet erg", relativeert hij. Voor de zekerheid heeft hij een advocaat in de
arm genomen. Of hij, ondanks zijn klinkende onderzoeksreputatie, in het veld
nog veel zal kunnen bereiken, is uiterst onzeker geworden.
De Amerikaanse ruzie gaat niet aan Nederland voorbij. Endocrinoloog Louis
Gooren, bij de Vrije Universiteit 's werelds eerste hoogleraar
transseksuologie, kreeg uit Amerika het verzoek Bailey's boek in een
wetenschappelijk tijdschrift neer te sabelen. Gooren weigerde, wegens
tijdgebrek, zegt hij, niet omdat hij Bailey zou steunen, integendeel: de
hoogleraar steekt zijn afkeer niet onder stoelen of banken.
Redneck
Gooren noemt Bailey een Amerikaanse redneck,
"een lompe, onaangename man" die in het verleden "als onderzoeker gauw uit
de bocht vloog". De hoogleraar heeft zijn boek alleen doorgebladerd, maar
zag daarbij naar eigen smaak al genoeg. "Wetenschap moet niet proberen aan
te sluiten bij publieke stereotypen met een hoog
zie-je-wel-dat-vond-ik-altijd-al-gehalte", vindt Gooren. "Als wetenschappers
hebben wij onze eigen methoden" Psychologe Peggy Cohen-Kettenis, hoofd van
het behandelend 'genderteam' van de VU, reageert minder negatief. Ze is, na
delen van het prikkelend geschreven bock re hebben gelezen, niet verbaasd
over de ophef, maar "waar Bailey beweert dat seksuele voorkeur en
geslachtsidentiteit niet helemaal onafhankelijke dimensies zijn, heeft bij
niet per se ongelijk'", zegt ze.
Anders dan Bailey drukt Cohen-Kettenis zich voortdurend diplomatiek uit. Als
geen ander kent ze de gevoeligheid van het terrein en het gemak waarmee "een
oorlog rond het onderwerp kan worden gecreëerd". Deze zomer moest ze zich
verweren tegen kritiek op het verstrekken van puberteit-vertragende middelen
aan minderjarige patiënten. De psycholoog beaamt echter dat lang niet elke
man-vrouw-transseksueel als kind kampte met een afwijkende sekse-identiteit.
De dominantie van her beeld van de 'vrouw gevangen in een mannenlichaam'
wijt zij aan de media, die het concept begrijpelijk vinden en eindeloos
herhalen.
Bailey's aanval komt hard aan in de wetenschappelijke discipline. De
seksuologie is altijd nauw vervlochten is geweest met het streven naar
emancipatie. Grote namen uit het vak, zoals Magnus Hirschfeld, Alfred Kinsey,
Harry Benjamin en John Money, wilden niet alleen seksueel gedrag leren
begrijpen, maar hoopten seksuele minderheden ook van hun stigma's te
bevrijden.
De jaren zeventig waren het onbetwiste hoogtepunt van het vakgebied, meteen
hausse aan nieuwe kennis eng in veel landen, het begin van meer seksuele
vrijheid. Maar, zo durven sommige seksuologen nu te erkennen, diezelfde
jaren zeventig produceerden ook nieuwe heilige huisjes en taboes.
Een van die dogma's leert dat seksuele voorkeur en sekse-identiteit, oftewel
mannelijkheid en vrouwelijkheid, niets met elkaar te maken hebben. Ze
worden, in wetenschappelijke termen, gemeten in 'onafhankelijke dimensies'.
Homo's en lesbiennes zouden maar in één opzicht verschillen van
heteroseksuele mannen en vrouwen: hun voorkeur voor her fysieke geslacht van
de partner. Het idee dat de gemiddelde homo een beetje vrouwelijk' zou zijn,
of dat lesbiennes gemiddeld genomen mannelijke trekjes vertonen werd naar
her fabelrijk van homovijandige stereotypen verwezen. Omgekeerd gold de
regel ook: dat sommige mannen de wens hebben vrouw te worden, of andersom,
zou met seksualiteit niets van doen hebben. Het betreft, zeggen de
psychiatrische handboeken, louter een 'gender-dysforie', een stoornis in de
geslachtsidentiteit, die kan worden behandeld met hormonen en operaties.
In Nederland besluit ongeveer één op de tienduizend mannen vroeg of laat van
geslacht te veranderen - vrouwen, bij wie de frequentie drie keer zo laag
ligt zijn in de hier beschreven controverse geen onderwerp van debat. En wie
gepubliceerde autobiografieën en seksuologische voorlichtingsfolders leest
zou inderdaad denken dat al hun levensverhalen identiek zijn: van kindsbeen
af waren zij jongetjes die diep in hun hart eigenlijk meisjes waren.
In The Man Who Would Be Queen trekt Michael Bailey, tot nu toe vooral
bekend van onderzoek naar homoseksuele tweelingen, onverschrokken heilige
seksuologische huisjes omver - zoals de consensus dat homoseksuele mannen
psychologisch niet van heteroseksuele mannen te onderscheiden zijn.
Stereotypen
Onbekommerd verhaalt Bailey over onderzoek,
deels gedaan in zijn eigen vakgroep, dat suggereert dat maatschappelijke
stereotypen een kern van waarheid bezitten. Na bij herhaling te hebben
uitgelegd dat gemiddelden niets zeggen over individuen, en dat sommige
homomannen absoluut niet van buitenaf te herkennen zijn, presenteert de
psycholoog een serie onderzoeken die aangeven dat de gemiddelde homoseksuele
man in meer dan alleen zijn seksuele voorkeur verschilt van de gemiddelde
heteroseksuele man. De gemiddelde homoman houdt bijvoorbeeld minder van
competitieve sporten, en belandt vaker in een verzorgend, entertainend of
esthetisch beroep; hij spreekt gearticuleerder en wiegt meer met de heupen.
Op al dergelijke meetschalen scoort hij ergens tussen de gemiddelde
heteroman en de gemiddelde heterovrouw. Het geldt niet voor élke schaal,
benadrukt Bailey: in zijn voorkeur voor afwisseling in sekspartners,
bijvoorbeeld, scoort de gemiddelde homoman even masculien als de gemiddelde
heteroman - al moet die laatste op dit punt meer compromissen sluiten. Dat
homomannen in sommige opzichten feminien zijn, concludeert Bailey, geeft aan
dat seksuele voorkeur en sekse-identiteit niet onafhankelijk zijn.
Een tweede aanwijzing vindt de psycholoog in de kleine groep jongens die,
vaak al rond het derde jaar, opmerkelijk vrouwelijk gedrag vertonen. Ze
trekhen spontaan moeders hakschoenen of jurken aan en claimen regelmatig
eigenlijk een meisje te zijn. Vaak zijn ze met meisjeskleren aan nauwelijks
als jongen te herkennen. Pogingen hen jongensachtiger te maken stuiten
doorgaans op fel verzet (en mislukken bijna altijd).
liet overgrote deel van deze meisjesachtige jongetjes, zo geven onderzoeken
aan,zal later homoseksueel blijken te zijn. De meesten raken de behoefte aan
vrouwelijkheid kwijt, maar een enkeling houdt dat vast tot op volwassen
leeftijd. Het is die laatste groep, door Bailey als 'homoseksuele
transseksuelen' aangeduid, die het populaire beeld van de
man-vrouw-transseksueel heeft bepaald: van jongsaf eigenlijk een vrouw, maar
door een speling van de natuur in een mannenlichaam opgesloten.
Tot Bailey's eigen verrassing heeft het eerste deel van zijn boek in
homoseksuele kringen weinig protesten opgeroepen. "Ik bespeur bij hen ook
een groeiende tolerantie tegenover zulk onderzoek", licht hij telefonisch
toe. Misschien zijn westerse homo's minder bang voor stigma's dan dertig
jaar geleden. Misschien ook is het boek door homo's nog niet echt opgemerkt.
Zeker is dat homo's inmiddels ook zelf ongeremd praten over hun gaydar ('gay-radar'),
het vermogen andere homo's van een afstandje te herkennen.
De stilte onder homo's contrasteert met
stormachtige protesten van transseksuelen tegen het tweede deel van Bailey's
boek. De omvang van het protest is moeilijk nauwkeurig vast te stellen: veel
transseksuelen willen niet opvallen en houden zich stil. Er zijn geen
demonstraties, wel uitgebreide websites en brievencampagnes van een goed
ingevoerde, actieve kern, deels wetenschappers, deels transseksuelen die
zelf in het boek figureren.
In dit tweede deel van zijn boek citeert Bailey onderzoek dat de Canadese
psychiater Ray Blanchard tussen 1955 en 1995 publiceerde en dat, volgens
Bailey, ten onrechte is doodgezwegen. Blanchard, werkzaam in Canada's enige
genderkliniek in Toronto, ondervroeg destijds honderden mannen die zich
aanmeldden voor een geslachtsaanpassing. Die gesprekken leidden tot een van
de meest systematische overzichten van transseksuelen tot nu toe.
De psychiater trof onder zijn patiënten
veel van de al genoemde 'homoseksuele transseksuelen' aan - mannen die als
jongetje al zeer vrouwelijk overkwamen en na hun operatie meestal
gemakkelijk voor vrouw door kunnen gaan. Maar daarnaast onderscheidde
Blanchard één ander type: mannen aan wie nooit veel vrouwelijks te herkennen
was geweest. Transseksuelen uit deze tweede groep waren als kleine jongetje
niet meisjesachtig geweest. Pas in de puberteit beving hen de gedachte een
vrouw te worden. Anders dan bij de eerste groep, ging die wens bij hen
gepaard met masturbatie en erotische fantasieën. Met het klimmen van de
jaren zakte de seksuele drang soms naar de achtergrond, maar het verlangen
naar geslachtsverandering bleef. Tegen de tijd dat ze een behandeling
aanvroegen, waren velen jaren getrouwd geweest. Na de operatie moesten
spraak-, bewegings- en makeup-cursussen hen helpen om sterk mannelijke
trekken en patronen te camoufleren.
Het erotisch getinte verlangen vrouw te worden, deed Blanchard denken aan
wat psychiaters een parafilie noemen - seksuele opwinding over iets anders
dan een volwassen medemens. Daarmee legde hij een verband met vormen van
fetisjisme. Waar sommigen opwinding voelen bij een sexy kledingstuk, zo zou
de tweede groep transseksuelen opgewonden raken door zichzelf voor te
stellen met een vrouwelijk lichaam of, ingewikkelder, in een vrouwelijke
seksuele rol om het even met welke man. Om de centrale rol van seksualiteit
in de oorsprong van hun verlangen te benadrukken, noemde Blanchard deze
transseksuelen autogynefiel: seksueel gericht op het beeld van zichzelf als
vrouw.
Met zijn populair geschreven boek brengt Bailey de analyse van Blanchard
voor het eerst buiten de klein kring van seksuologen onder de aandacht. Een
'substantieel deel' van man-vrouw-transseksuelen, meent ook Bailey, omvat
niet 'vrouwen gevangen in een mannenlichaam'. De erotische kiem van hun
motieven bleef tot nu toe verborgen, schrijft hij, omdat ze erover zwijgen
-deels uit schaamte, deels uit vrees dat openheid hun operatie of
maatschappelijke acceptatie in de weg zou staan.
Die zwijgzaamheid betekent ook dat betrouwbare schattingen van de frequentie
van autogynefiele ontstaansgeschiedenissen ontbreken. Blanchard schatte het
tien jaar geleden op ongeveer de helft.
Anne Lawrence, een klinisch
seksuoloog met een privé-praktijk voor transseksuelen in Seattle, kwam
recenter tot vergelijkbare aantallen. Zij vroeg 232 transseksuelen een jaar
na de operatie hoe vaak ze ooit opgewonden waren geraakt bij de gedachte
vrouw te zijn. Bijna de helft antwoordde 'honderden keren of meer.' "Ik denk
dat autogynefilie vrij algemeen voorkomt," zegt Lawrence.
As van het kwaad
Haar schatting is mede interessant omdat ze
vijf jaar geleden, in een tijdschrift over transseksualiteit, erkende zélf
autogynefiel te zijn. 'Een man gevangen in een mannenlichaam', luidde de kop
waaronder zij Blanchards theorie in eigen lering belichtte. Haar achtergrond
beschermde haar niet tegen snoeiharde kritiek. "Voor sommigen zit ik samen
met Bailey en Blanchard in een 'as van het kwaad'." Anderen. voegt ze eraan
Ook voor het werk van Blanchard heeft Gooren geen goed woord over.
Transseksuelen homoseksueel noemen mag strikt theoretisch logisch lijken,
zegt hij, in de beleving van transseksuelen zelf slaat het nergens op. En
seksuele opwinding over een geslachtsoperatie komt hij 'niet tegen'.
Psychologe CohenKettenis deelt wel Goorens bezwaren tegen termen als
'homoseksuele' en 'niet-homoseksuele' transseksuelen. Zelf spreekt ze liever
van 'primaire' en 'secundaire', of early onset en late onset
transseksuelen. Maar los van de terminologie lijken die groepen sprekend op
die van Blanchard en Bailey.
Primaire transseksuelen vallen op mannen en hadden al heel jong een
afwijkende geslachtsidentiteit, zegt Cohen-Kettenis. De secundaire groep
heeft daarentegen vaak al een heel leven als heteroseksuele man achter de
rug wanneer ze zich melden voor een behandeling. "Aanvankelijk, in de
puberteit, ging het omkleden bij hen vaak gepaard met seksuele opwinding,"
zegt ze. "Wanneer ze bij ons komen, gaat er van het verkleden eerder rust
uit "
Secundaire transseksuelen maken, schat Cohen-Kettenis, ongeveer de helft uit
van het totaal. Of ze allemaal autogynefiel zijn geweest kan ze echter
moeilijk zeggen, al was het maar omdat ze geen geld heeft om alle mogelijke
oorzaken van transseksualiteit diepgaand te onderzoeken. "Extreme
gender-dysforie kan, denk ik, langs vele wegen ontstaan. De tweede groep is
heel divers. We komen ook mensen tegen die nog altijd autogynefiel zijn."
Voor de patiëntenzorg zou de ontdekking van autogynefilie, als puber of op
latere leeftijd, volgens Cohen-Kettenis weinig gevolgen hebben. Want anders
dan transseksuelen misschien vrezen, beschouwt zij het niet als een
diskwalificatie voor een geslachtsverandering: bepalend is de geestelijke.
nood waarin mensen verkeren, en of een geslachtsverandering de enige manier
is om die te verlichten. Dat vinden overigens óók Blanchard en Bailey, die
aanvoeren dat autogynefielen niet vaker spijt lijken te krijgen van hun
geslachtsverandering dan primaire ('homoseksuele') transseksuelen.
Hoe groot de bijdrage van autogynefilie precies is, zal door het pólitieke
rumoer vermoedelijk nog lang onduidelijk blijven. "De kans dat patiënten
eerlijk praten over hun erotische fantasieën", zegt Blanchard, "is door het
gedoe niet bepaald groter geworden." Het is een uitkomst die Michael Bailey
betreurt. Want anders dan zijn tegenstanders beweren, zegt hij, koestert hij
geen negatieve gevoelens jegens transseksuelen. "Maar als we transseksuelen
écht willen accepteren, moeten we wel eerst weten wie ze zijn."
Anne Lawrence heeft nog een reden om het stilzwijgen te doorbreken. "Veel
autogynefiele transseksuelen durven niet over hun ervaringen of gedachten te
praten. Ze schamen zich, of ze zijn bang dat ze de enigen zijn, of niet echt
transseksueel. Zwijgen voorkomt dat we onszelf volledig kunnen begrijpen."
Bron: NRC, 27 september 2003
Door: Peter Vermij
Ingezonden brief
Als transseksuele zou ik misschien geboeid moeten zijn door de
autogynefilie-vindingen. Maar als Michael Bailey (W, O, 27 sept) de moeite
had genomen om het Hite-rapport te lezen, had hij geweten dat de meeste
vrouwen autogynefiel zijn of ze wel of niet gevangen zijn in een
mannenlichaam doet er blijkbaar niet toe.
En dat secundaire transseksuelen zich soms niet zo vrouwelijk gedragen,
wisten we ook al maar hoe zit het nu met oorzaak en gevolg? Bailey had ook
kunnen tonen dat wie pas op z'n zestigste leert fietsen niet zo goed fietst
om te concluderen dat het pas op late leeftijd leren fietsen komt door een
tekort aan inherente fietserlijkheid.
Bailey heeft niets nieuws ontdekt, maar trekt toch aandacht door een al
kwetsbaar groep heterovrouwen te beledigen door ze 'homoseksueel' te noemen
omdat ze toevallig de pech hebben in het verkeerde lichaam te zijn geboren.
(Niet dat 'homoseksueel' een scheldwoord is, maar een vrouw 'man' te noemen
is een belediging). Het zal wel goed zijn voor het verkoop van zijn boek,
ethisch verantwoord is het niet.
Bron: NRC, 11 oktober 2003
Door: Helene Thygesen, Biostatistica (UvA), Westervoort
Reactie LKG T&T
In de rubriek ‘Wetenschap en Onderwijs’ van 27-09-2003
troffen wij een uitvoerige boekbespreking aan van het populair
wetenschappelijk boek The Man Who Would Be Queen geschreven door de
Amerikaanse psycholoog Michael Bailey.
Bailey meent dat transseksuelen en travestieten uitsluitend
gedreven worden door seksuele impulsen. Het eerste dat wij van een
wetenschappelijke krantenbijlage mogen verwachten is dat de bespreker een
neus heeft voor methodische onrechtvaardigheden. Als een wetenschapper
schrijft dat "homoseksuele transseksuelen
geen moeite hebben om kleren te stelen omdat zij op de rand van de
maatschappij leven" dan had bij de bespreker toch een belletje moeten
rinkelen? Als de onderzoeker met geen woord
rept over Vrouw naar Man transseksuelen, vier van zijn zes informanten
prostituee zijn en allen gerekruteerd zijn
uit nachtclubs, dan mag de bespreker toch een lichtje opgaan dat het verhaal
niet representatief is? Bailey laat alleen wetenschappers aan het woord die
het met zijn visie eens zijn en vertelt bij herhaling zijn informanten niet
te geloven als ze niet in zijn theorie passen. Bovendien heeft
Bailey toegegeven dat delen van zijn boek
zijn geromantiseerd.
Het schofferende van Bailey's boek is dat het de gehele
persoonlijkheid van de transseksueel terugbrengt tot de
façade voor een seksuele impuls. Deze bewering is
even onwetenschappelijk als zeggen dat de gehele persoonlijkheid van een
heteroseksuele man een façade is om heteroseksuele vrouwen aan te
trekken. Maar als deze bewering transseksuelen betreft mag het in de
wetenschapsbijlage van de NRC.
Voor alle duidelijkheid: onvrede met het eigen gender is
alles behalve erotisch. Het veroorzaakt verwarring, angst, en verdriet.
Oplossingen gaan vaak gepaard met het verlies van partner, kinderen,
familie, inkomen en/of vrienden. Gelukkig is de laatste 20 jaar voor ‘onze’
mensen hulp mogelijk, zij het dat deze zich vooral richt op de medische
kant. De zelfhulpgroepen T&T (Transseksualiteit en
Travestie) zijn een noodzaak en hebben veel mensen geholpen zichzelf terug
te vinden, veel mensen gemotiveerd tot oplossingen van problemen met
familie, werk, etc. Vreemd dat die meneer Bailey nooit terecht is gekomen in
zulke zelfhulpgroepen. Daarvan bestaan er in de VS honderden. Hij had dan
wellicht geweten dat het circuit waarin hij transgenders ontmoette slecht
representatief is; transgenders hebben zelden de financiële middelen om
geregeld het nachtleven in te gaan. In de VS doet men dat om in zijn
levensonderhoud te voorzien: prostitutie dus. En daar ontmoeten ze Dr.
Bailey, en bij extensie, een onbezonnen boekbespreker.
Door: Arianne van der Ven, psychologe &
Sonja Raaymakers, voorzitter
LKGT&T
Opmerking:
De belangrijkste tegenstanders van Bailey's boek (en in het verlengde
daarvan de autogynefilie theorie van Ray Blanchard) zijn Andrea James met
haar
Bailey-Blanchard-Lawrence Clearing House en
Lynn Conway. De LKG T&T heeft ook stelling genomen tegen de strekking
van Bailey's boek (dat trouwens
hier in
zijn volledigheid te lezen is).
Terug naar index
|
|