Een artikel van de ethicus G. Manenschijn heeft geleid tot een uitvoerige discussie over transseksualiteit. Er volgden kritische reacties van onder meer de transseksuoloog L J. G. Gooren en van de journaliste Nicole van der Toorn, die tien jaar geleden koos voor een 'detransseksualisatie' en daar positief over oordeelt. Een ander verhaal is dat van een nu 40-jarige (ze ziet haar naam liever niet vermeld), die ruim twintig jaar geleden van man tot vrouw werd en die, kon ze het overdoen, nooit meer voor zo'n operatie zou kiezen.

"Kort na mijn operatie ben ik naar een dominee gegaan. Ik wilde opnieuw gedoopt worden. Ik had nu immers een meisjesnaam? Maar dat hoefde niet, zei hij. Dat was een grote teleurstelling voor me.

Ik kom uit een streng gereformeerd milieu, ben opgegroeid op een klein dorpje, de oudste uit een gezin met alleen jongens. Van transseksualiteit had niemand er ooit gehoord. Dat was in die tijd, jaren vijftig, nog een onbekend begrip. Het viel wel op dat ik altijd met meisjes speelde, met meisjes-speelgoed ook, dat ik me gedroeg als een meisje. Zelf kreeg ik zo rond mijn veertiende het idee dat ik misschien eigenlijk wel een meisje was. Dat ik anders was.

Ongelukkig was ik als kind niet. Ik voelde me pas ongelukkig toen ik in een kindertehuis in Amsterdam terechtkwam. De andere jongens daar scholden me uit voor flikkertje. Wat dat was, wist ik niet maar ik wilde het in elk geval niet zijn. Ik was uit huis geplaatst omdat er op een gegeven moment conflicten ontstonden tussen mijn vader en mij. Hij vond dat maar niks, een jongen die met poppen speelde, ik moest een gewone, flinke jongen worden.

Dat werd ik dus niet. Ik liet mijn haar groeien, stal make up-artikelen en vrouwenkleren uit warenhuizen en kwam zo in aanraking met de politie. Ik moest maar eens door een psychiater worden onderzocht, vond de kinderrechter. Nadat ik drie maanden in het huis van bewaring had gezeten, kwam er een plaats vrij in het Pieter Baan Centrum, het onderzoeksinstituut van het gevangeniswezen.

Allerlei onderzoeken werden er verricht. Mijn hele levensloop werd nagegaan. Ze hebben gesproken met mijn ouders, met de leraren van school. Zelf zei ik steeds dat ik meende een meisje te zijn, daar probeerde ik ze van te overtuigen. Ik gaf antwoorden waarvan ik dacht dat ze die wilden horen. Soms denk ik wel eens dat ik eigenlijk gewoon eenzaam was, dat ik aandacht wilde trekken door me te verkleden, me op te maken. Je hebt bovendien op die leeftijd, zeventien, achttien jaar, het gevoel dat er een punt achter je jeugd wordt gezet en dat er nu iets anders gaat beginnen. Bij mij zou dat een leven als meisje, als vrouw zijn.

In dat begrip transseksualiteit, waarvan ik toen voor het eerst hoorde, vond ik ook een soort verklaring voor het feit dat ik me van kind af aan als een meisje had gedragen. Dat ik me niet lekker voelde in mijn lichaam. Niet wist hoe ik mijn houding moest bepalen tegenover andere mensen en daardoor zowel hen als mezelf in de war bracht.

Via het Pieter Baan Centrum kwam ik in contact met dr. O. M. de Vaal, kinderarts en destijds een autoriteit op het gebied van transseksualiteit. In september 1968, een half jaar nadat ik in het Pieter Baan Centrum was opgenomen, werd ik geopereerd. Zeventien jaar en zeven maanden was ik toen. Tevoren had ik hormoontabletten gekregen. Ik weet nog dat ik een keer in de tram zat, net van die tabletten had ingenomen en heel steels probeerde te kijken of er al iets aan mijn borsten te zien was, of die al een beetje aan het groeien waren. Zo naïef was ik. Mijn ouders? Die waren nog naïever dan ik. Goh, zei mijn moeder, dat je je tegenwoordig ook al aan homoseksualiteit kunt laten opereren. We moesten maar verhuizen, vond ze aanvankelijk, maar dat is niet gebeurd. Mijn ouders, mijn broers, de dorpsgemeenschap, hebben me geaccepteerd zoals ik ben. Ik denk omdat ze, net als ikzelf, nu een verklaring hadden voor mijn gedrag als kind. Ik herinner me nog een buurvrouw bij wie ik als kleuter wel eens speelde en die ooit tegen me zei dat ik maar eens naar de smid moest gaan. Die zou wel een meisje van me maken.

De operatie bracht me niet wat ik ervan verwachtte. Ik dacht dat je, als je lichamelijk veranderd bent, ook geestelijk sterk zou veranderen. Maar dat was niet zo. Je bent - later ook formeel, voor de Burgerlijke Stand - van sekse veranderd, maar voor de rest blijf je dezelfde. Ik huilde toen ik na de operatie bijkwam. Nee, niet omdat ik toen meteen dacht: mijn God, wat heb ik gedaan? Ik was nooit trots op mijn lichaam geweest, vroeger niet, toen niet, en nu ook niet. Mijn lijf interesseerde me destijds weinig, ik vond het alleen belangrijk om een meisje, een vrouw te zijn. De meisjesrol ging me veel gemakkelijker af dan die van een jongen. Veel later pas ben ik me gaan afvragen of ik misschien biseksueel was. Wist ik veel op mijn zeventiende? Je kwam met je verhaal en zij droegen een oplossing aan, een operatie. Ik dacht dat mijn problemen dan zouden verdwijnen, dat de mensen gewoon tegen me zouden doen. Ik heb die kans met beide handen aangepakt. Maar de opluchting die ik verwachtte bleef uit.

Ik lag op een grote zaal. De verpleegster, een heel aardig mens overigens, weigerde me na de operatie te wassen. Ze vond het eng, doodeng. Dat ben ik nooit vergeten. Het was de eerste keer dat ik die weerzin meemaakte. Dat gebeurt nog wel. Ik heb, zoals meer transseksuelen die van man vrouw zijn geworden, een zwaardere stem dan vrouwen gewoonlijk hebben. Nu kan dat me niet meer schelen, de tijd dat ik me zo vrouwelijk mogelijk kleedde, heb ik achter me.

Voor die ingreep was ik al eens in een psychiatrische kliniek opgenomen geweest, ik had ook al eens een poging tot zelfdoding gedaan, door pillen in te nemen. Na de operatie kreeg ik last van een identiteitscrisis, was zwaar depressief, moest opnieuw worden opgenomen.

Als ik weer voor de keus stond, zou ik me nooit meer laten opereren. Ik was veel te jong, toen. Dat is ook mijn grootste grief. Ik verwijt het Pieter Baan Centrum dat ze me niet hebben tegengehouden, niet hebben gezegd: wacht nou nog een paar jaar voor je die beslissing neemt. Er is immers geen weg terug als je eenmaal geopereerd bent. Er is een tijd geweest dat ik zo boos was dat ik overwoog een rechtszaak te beginnen tegen de mensen die destijds tot de staf van het centrum behoorden. Dat ze dat hebben toegestaan, die operatie. Niet tegen de chirurg die de ingreep heeft verricht, hem treft geen blaam; hij ging af op de bevindingen van anderen. Achteraf denk ik wel eens dat ik misschien een soort proefpersoon ben geweest. Ik was een van de eersten die in Nederland deze operatie onderging. 't Was nog heel nieuw allemaal. Koos Postema heeft er nog eens zijn programma 'Een groot uur U' aan gewijd.

Na die eerste operatie was er nog een tweede nodig. Maar ik had er zo genoeg van dat ik pas tien jaar later, in 1978, opnieuw naar de chirurg ben gegaan. Al die tijd had ik er geen behoefte aan gehad werkelijk als vrouw te leven. Ik was in feite a-seksueel. Uiterlijk was ik een vrouw en dat vond ik wel genoeg. Tegelijk met die tweede operatie heb ik mijn borsten laten corrigeren. Wat me toen heel sterk frappeerde was dat dit een operatie was die op zich niets met transseksualiteit te maken had - het had te maken met het materiaal wat was gebruikt, siliconen - maar dat ik meteen op een afdeling met transseksuelen kwam te liggen, niet op een algemene zaal.

Ik moet wel eens lachen als ik de term 'ex-transseksueel' hoor. Je bent transseksueel en dat blijf je. Als je een relatie met iemand aangaat, of een vriendschap, kun je er niet onderuit te vertellen wat er is gebeurd. Voor andere mensen ben je dan toch weer een transseksueel. Maar ook voor jezelf. Terwijl ik ruim twintig jaar geleden ben geopereerd, en, op mijn veertigste, langer in een zogenaamd vrouwenlichaam leef dan in dat van een man. Of ik me man dan wel vrouw voel? Ik voel me gespleten. Man noch vrouw. Ik heb mezelf wel veel meer geaccepteerd dan vroeger.

Ik ben me ook pas later gaan realiseren dat ik nooit kinderen zou kunnen krijgen. Ik leef nu, sinds vijf jaar, met een vrouw samen. Af en toe denk ik wel eens dat ik best samen met haar kinderen zou willen hebben, maar ja, dat kan niet. Ik ben ook nog vier jaar getrouwd geweest; dat huwelijk is mislukt. Mijn ex-man is later hertrouwd en heeft een kind van zijn tweede vrouw. Dat stak me toch wel, toen ik dat hoorde.

Het was destijds, toen ik uit huis geplaatst werd, de bedoeling dat ik in Amsterdam de bakkersvakschool zou volgen, maar daar is het nooit van gekomen. Ik heb als ziekenverzorgster gewerkt en ik heb jarenlang in de horeca gezeten, vaak in homobars. In die wereld voelde ik me thuis; die kent een soort humor die me aanspreekt en ik voel me er veel meer geaccepteerd dan in de heterowereld.

Van de groep van tien, elf mensen die in dezelfde periode als ik bij dr. De Vaal kwamen, zijn er nu vijf dood, van wie vier door zelfdoding, allemaal tussen hun dertigste en veertigste jaar. Ik denk dat ze zo gefixeerd waren op het idee dat alles ten goede zou keren als ze eenmaal vrouw waren geworden dat het alleen maar kon tegenvallen. Er zijn er ook die uiterlijk toch mannelijke, wat grove types blijven, alle operaties ten spijt. Sommigen zijn zo met hun uiterlijk bezig dat ze ook hun neus nog laten opereren, als die hen niet bevalt. Ze willen er perfect uitzien. Het liefst zouden ze ook nog iets aan hun stembanden willen doen, hun adamsappel willen laten weghalen. Mij heeft dat nooit zo getrokken. Die body-cultuur... Anderen vragen toch weer om mannelijke hormonen, gaan weer in het herenpak.

Ik heb me nooit kunnen voorstellen dat mensen die getrouwd zijn, kinderen hebben, op hun veertigste het idee krijgen zich alsnog te laten opereren. Ik respecteer zo'n beslissing, want ieder moet dat voor zichzelf weten, maar begrijpen doe ik het niet.

Een advies voor anderen? Ik zal tegen mensen die een operatie overwegen niet zeggen: je moet het nooit doen. Wel: denk eraan, je kunt nooit meer terug. Je moet het effect van de ingreep zeker niet idealiseren. Je wordt niet vanzelfsprekend gelukkig als je de uiterlijke kenmerken van een andere sekse hebt gekregen.

Ik vind het heel goed dat professor Manenschijn er eens een beetje tegenaan heeft geschopt, zodat er wat beter wordt nagedacht. Als ik een wat vreemde vergelijking mag maken: een kunstgebit zit best lekker, maar je eigen tanden en kiezen zijn toch beter."
 


Bron: Trouw, 29 februari 1992
Door: Jet Kunkeler

Terug naar index