Half oktober startte in het Amsterdamse theater De Balie voor het vierde seizoen de door de SLAA (Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam) georganiseerde reeks lezingen De Brandende Kwestie van... Op 19 november sprak de schrijfster/tekenares Dirkje Kuik haar lezing uit, waarin het begrip 'interseksualiteit' centraal staat. Het lijkt zo eenvoudig om het geslachtelijke, het man of vrouw zijn, vast te kunnen stellen. Maar er zijn gevallen waarin het minder simpel is. Juffrouw Laps is immers een zoogdier, zei al in de vorige eeuw Stoffel de hulponderwijzer. Was dat maar alles .... Een pleidooi voor een juiste behandeling van interseksuele patiënten.

Het is een onbehoorlijke gewoonte met de deur in huis te vallen. Dat hoort niet, stel je voor, je komt plompverloren zonder omslagen bij iemand binnenzetten. Drie van de vier keer bedreigt papa juist een krijsende baby, is moe bezig de oudste dochter met een netenkam te behandelen en doet de kat zijn behoefte op de bak in de keuken. O weest u niet bevreesd, ik wil het niet hebben over de hoeksteen van de maatschappij, het gezin, dat laat ik aan de heer Brinkman en het CDA over, die weten daar meer van.

Ik ga trouwens daarbij heel eigenwijs ook nog iets doms doen. Ik val de deur binnen met een vraag. Brutaal en dom moet dus in mijn persoonsbewijs staan, geheel passend bij mijn beminnelijke verschijning. Och, ik beeldde me toch jaren geleden reeds af op het kaft van een roman in de vorm van een dwaze bebrilde achttiende-eeuwse gans. De gans, het symbool van de domheid, de ketting, de kwaadaardige snaterzucht, eveneens echter het symbool van het noorden en de waakzaamheid.

Schrijfster/tekenares Dirkje Kuik

Het wordt tijd dat ik u de vraag stel: wat hebben we te verstaan onder het medische begrip 'interseksualiteit', als we het gebruiken of tegenkomen in een of andere studie? Over dit begrip gaat deze lezing.

Om de juiste kenmerken van interseksualiteit te kunnen aangeven moet men zich eerst afvragen: wat verstaat men In het algemeen onder het geslachtelijke, het man of vrouw zijn? Dat lijkt eenvoudig; ieder mens zal voor de vuist weg een aantal vrolijke kenmerken kunnen opnoemen die er niet om liegen; toch is een juiste wetenschappelijke beschrijving niet eenvoudig.

Er is om te beginnen een mogelijkheid uit te gaan van de genetische codering, die de mens bepaalt. Dat is nog niet erg lang het geval. Zekerheden op dit punt zijn pas tot ons gekomen met behulp van de zogenaamde Barr-test uit de jaren vijftig en die was niet geheel betrouwbaar, liet te veel speculatie toe.

Een jaar of acht geleden zag men kans een volledig genetisch zoekplaatje van de mens te maken. Sedert die tijd is het doenlijk te zeggen dat voor 99,99,99% een vrouw altijd twee X-chromosomen achter haar naam mag zetten, een man een X- en een Y-chromosoom. Jammer genoeg bracht deze test ook naar voren dat er een zeer klein aantal mensen was dat hierin duidelijke afwijkingen vertoonde, wat de absoluutheid van de uitspraak XX = vrouw, XY = man aantastte.

Ik geef twee voorbeelden. Er bleek een XX-man te kunnen bestaan en een XY-vrouw, die zonder meer bij de geboorte op het oog vrouwelijk respectievelijk mannelijk moeten worden beschouwd, ook door een goedgeschoolde arts. Buitendien vertonen deze kinderen In hun uitgroei zowel psychologisch als lichamelijk onmiskenbaar tekenen van mannelijkheid of vrouwelijkheid. Hoewel, er zijn verborgen gebreken en gevaren, die medische begeleiding in het latere leven zeer wenselijk maken, àls de beschreven afwijking - hopelijk - ontdekt wordt.

Ik gebruikte enige zinnen terug de term 'op het oog'. Dan zijn we bij een tweede manier om het geslacht aan te geven; ze wordt in het algemeen door artsen gehanteerd als het om de kunne van een net geboren baby gaat. De wetgever legt artsen deze duiding op. Binnen drie dagen na de geboorte moet over het resultaat uitsluitsel worden gegeven bij de Burgerlijke Stand. Soms kan er sprake zijn van enig uitstel, maar dan komt er een officier van justitie aan te pas.

Deze geslachtsbepaling gebeurt door het zogenaamde schouwen van de genitaliën van de baby, het specifieke voorkomen dat ze hebben, of het er aardig bijstaat; dat kan overigens tot nare vergissingen leiden, tot groot nadeel voor het kind.


Er is echter nog een derde zijde waarop het geslachtelijke rust, die door artsen gebruikt wordt als het om het vaststellen draait. Een kant, nog niet lang bekend, die pas laat de aandacht van de medische wetenschap en de biologie heeft getrokken, omdat hij zo vanzelfsprekend lijkt. Maar sedert de jaren dertig is er belangstelling gekomen en is die zijde een feit geworden. In goed Nederlands kan men haar het primaire geslachtelijke identiteitsgevoel noemen, hoewel de half Engelse, half Latijnse aanduiding in Nederland meer gebruik wordt, men spreekt dan van primaire genderidentiteit.

Ieder mens is zich zijn gehele leven bewust een vrouw of een man te zijn, daar wordt zelden aan getwijfeld, hoewel de toewijzing van het geslacht direct na de geboorte op het gezag van een arts is gegeven. Het kind, de baby was er op dat moment geheel onkundig van. En toch blijkt dan, dat weer in 99,9999%, van die gevallen kinderen die duiding geheel aanvaarden, er zich in de rest van hun leven aan vastklampen, nooit enige twijfel vertonen. Slechts bij interseksueel geboren kinderen kan het aangegeven geslacht soms niet aanvaard worden tijdens het leven. Men spreekt dan van genderidentiteitsstoornissen.

In genoemde jaren dertig ontdekte men door dierproeven dat de geslachtelijke identiteitsgevoelens in verband gebracht moesten worden met endocriene hersenprogrammaties, die de geslachtelijke lichamelijke uitgroei prenataal een vaste basis geven. Het tijdstip van deze programmaties ligt echter niet voor alle zoogdieren gelijk. Bij de mens vermoedt men dat de programmaties tussen de vierde en de zesde levensmaand plaatsvinden.

Een vrouw die ongelooflijk belangrijk werk heeft gedaan om met behulp van dierproeven de biologische factoren te ontdekken, die in verband staan met die prenatale uitgroei van de genderidentiteit, is Vera Dantchakoff. Ze werd door de Duitsers vermoord in een concentratiekamp, ze was joods en daarbij kwam ook nog dat ze zich met een dergelijk onderwerp bezighield. De nazi's zijn doodsbenauwd geweest voor haar onderzoekingen, die de fraaie macho-theorieën over de suprematie van het mannelijke hadden kunnen aantasten. Gelukkig zijn haar wetenschappelijke papieren over de Zwitserse grens gesmokkeld en waren deze na de oorlog in onder andere de Verenigde Staten aanleiding de onderzoekingen voort te zetten.

Deze hoogst interessante, echter weinig bekende geslachtelijke hersenprogramma-proefnemingen via zoogdieren hebben het tot een vaststaand gegeven gemaakt dat deze programma's absoluut noodzakelijk zijn voor de gave kunne, voor een gave genderidentiteitsontwikkeling. Bij de mens is het echter om ethische redenen niet mogelijk dergelijke proeven te nemen, hooguit in heel voorzichtige vorm, het zijn namelijk bijzonder nare dierproeven die aan het einde het dier zonder meer tot een vuilnisbakverschijnsel maken. Desondanks mag men rustig aannemen,dat zich bij de mens soortgelijke programmaties voltrekken: juffrouw Laps is immers een zoogdier, zei reeds in de vorige eeuw Stoffel de hulponderwijzer, en hij had gelijk, de mens hoort thuis in die orde, we kunnen hem er niet buiten plaatsen.

Overigens, er is wel het een en ander specifiek menselijks gevonden, als het om de genderidentiteitsontwikkeling gaat, juist door het bestuderen van het gedrag van direct na de geboorte bijgestelde of genitaal verbeterde: interseksuele kinderen. Daaruit bleek dat de primaire genderidentiteit vanaf de geboorte tot twee jaar na die geboorte nog een zekere flexibiliteit heeft, nog in beweging is. Daarna staat hij vast en kan met geen tien paarden meer van haar plaats getrokken worden, is een absoluut gegeven in het verdere leven. Hoewel, ik waarschuw er onmiddellijk voor dat de bouwstenen om die genderidentiteit te kunnen ontwikkelen voor een deel reeds gevormd worden in utero door genoemde hersenprogrammaties, derhalve biologisch zijn.

Men kan dus niet stellen dat genderidentiteit uitsluitend bepaald wordt in de symbiotische levensperiode van ongeveer twee jaar, waarin de baby tot uitgroei komt. Wel is het interessant te weten dat bij interseksuele kinderen, die genitaal gezien verward op de wereld komen, een snelle geslachtsbepaling met een daarbij zo goed mogelijk passende behoorlijke genitaliteit, die plastisch-chirurgisch aangebracht wordt, in hoge mate een gender-identiteitsontwikkeling meebrengt, die zich heel aardig naar de ondernomen bijstelling richt. Een bewijs dus voor de flexibiliteit van de genderidentiteit in die periode, want men moet goed begrijpen dat de geslachtelijke duiding van een interseksueel kind een arbitraire zaak is die bijvoorbeeld beslist geen rekening hoeft te houden met de genetisch code.

Vele interseksuele kinderen met een XY-mannelijke genetische code, worden genitaal toch vrouwelijk bijgesteld, hoe vreemd het ook klinkt. Dat kan een beslissing zijn van de arts, omdat ondanks de mannelijke genetische code het genitale voorkomen veel beter geschikt is om het te vervrouwelijken. Het kan ook besloten worden omdat een enzymatische achtergrond bij het kind aanwezig is, die er voor zorgt dat bijvoorbeeld hormonale vermannelijking nooit enig behoorlijk resultaat zal opleveren tijdens de latere ontwikkeling. Overigens wordt de ouders van een snel bijgesteld interseksueel kind dringend geadviseerd om de baby zo vrouwelijk of mannelijk mogelijk op te voeden in de symbiotische periode, - je mag het rustig een vriendelijke hersenspoeling noemen - om hopelijk de geslachtelijke identiteitsgevoelens in de pas te houden met de bijstelling. Het schijnt op een of andere manier uit te maken, het werkt in vele gevallen, hoe is niet helemaal duidelijk. Niemand weet exact wat er gebeurt tijdens de symbiotische opvoedingsperiode.

Geen enkele gedragspsycholoog kan op dit moment met zekerheid aangeven hoe dwingend de rol van de ouders in die periode is, hoe dwingend de rol van de baby via haar of zijn aanleg prenataal gevormd is. Het is een interactie, deze opvoeding, geen eenrichtingsverkeer. Mijn mening is dat de rol van de zogenaamd hulpeloze baby hogelijk onderschat wordt. Toch zijn er ook mislukkingen als het de snelle bijstellingen betreft. Er komen dan bij deze interseksuele patiëntjes verschijnselen raar voren die erop wijzen, dat de primaire genderidentiteit zich niet heeft aangepast aan de door de artsen goedbedoelde geslachtelijke bijstelling. En dat is naar mijn mening een teken dat men de biologische factor beslist niet mag onderschatten als het om genderideniteit gaat.


In de studie Man and Woman, Boy and Girl van John Money en Anke A. Erhardt, twee specialisten als het om interseksualiteit gaat, kan men uitstekende uiteenzettingen vinden over de door mij geschetste problematiek. hoewel ik het beslist niet eens ben met ál de opvattingen die zij in dit boek en in andere medische studies over het geslachtelijke van de mens de problemen rondom primaire genderidentiteit naar voren brengen. Maar het zijn zonder meer artsen en seksuologen die met gelukkig weinig preutse ethiek en veel wetenschappelijk inzicht over genoemde vraagstukken gepubliceerd hebben.

Ik wil één bezwaar noemen. Homoseksualiteit bijvoorbeeld wordt door John Money toch nog wel eens gezien als een milde vorm van genderidentiteitsverwarring, dat vind ik onzin. De psychologie van de homoseksuele mens geeft er noch in de jeugd noch in de halfvolwassenheid of volwassenheid op welke manier dan ook blijk van dat er bij deze mensen een primair gender-identiteitsbesef. bestaat, dat niet in overeenstemming is met de aanwezige lichamelijkheid. Een lesbische vrouw wenst geen penis te hebben, een homoseksuele man, hoe vrouwelijk hij zich in zijn cultuurgedrag pok uit, bedankt er feestelijk voor om een kut te bezitten, een paar fraaie borsten, en eens per maand een pittige menstruatie te beleven, laat staan de kans te lopen negen maanden zwangerschap op te knappen.

Ik wil er kort over zijn: seksuele gedragspatronen - er zijn er drie: homoseksualiteit, biseksualiteit, heteroseksualiteit - hebben zeker specifieke gedragskenmerken, bepaald door de aanwezigheid van de genitalitelt van de partners, de lichamelijkheid. Het is echter onjuist op biologische basis te verklaren, dat homoseksualiteit of biseksualiteit een aantasting zou zijn, hoe mild ook, van het mannelijke of vrouwelijke geslachtelijke van de mens, in de vorm bijvoorbeeld van een gender-identiteitsstoornis. Slechts de seksuoloog Iwan Bloch sloeg omstreeks 1906 de spijker op de kop toen hij verklaarde dat homoseksualiteit en biseksualiteit varianten zijn in het seksuele gedragspatroon en even normaal als heteroseksualiteit en dientengevolge dezelfde rechten moeten hebben, maatschappelijk gezien. Ze kunnen niet op ziekelijke of ethische basis veroordeeld worden. Daarmee Is de arts Iwan Bloch een roepende in het zedelijk pierenbadje gebleven, tot nu toe terwijl hij één van de grootste seksuologen uit het begin van de twintigste eeuw was, minder ethisch, zakelijker, met een ongelooflijke kennis op het gebied van seksuele gedragingen en ook de historie daarvan. Ik vind hem, zeker als het om de homoseksuele gedragspatronen gaat, een ruimer en beter inzicht hebben dan bijvoorbeeld Freud, Hirschfeld of Havelock-Ellis, die nog veel te veel homosekualiteit in de buurt van neurose en gestoorde hersenprogrammatie hebben gebracht, zonder daar ooit bewijzen voor te hebben geleverd. Het bleef bij christelijke wenselijkheid.

Het is interessant te weten dat er in 1984 een goed gedocumenteerd rapport verscheen in New York van het New York State Psychiatrie Institute. Het geeft onder meer een overzicht van de pogingen aan te tonen dat er speciale endocriene hersenbeïnvloedingen bestaan, die de seksuele oriëntatie ten opzichte van homoseksualiteit bepalen en op die wijze het begin van een bewijs zouden kunnen leveren, dat er sprake moet zijn van afwijkende hersenprogrammatie bij de homoseksuele mens, zodat je hem of haar in zekere zin interseksueel zou kunnen noemen.

De reeks onderzoekingen die opgenomen zijn en van helder degelijk kritisch commentaar voorzien werden, lopen vanaf de vroegere jaren zeventig tot in onze dagen. De conclusie in dit rapport is, dat het tot nu toe onmogelijk is te beweren dat er dergelijke hormonale afwijkingen bestaan. Nergens kwamen er duidelijk bewijzen van abnormale endocriniteit te voorschijn bij de onderzochte proefpersonen. Er staan nog enige nieuwe wegen tot psycho-endocrien onderzoek. open, maar ook hier zijn er geen aanwijzingen dat ze veel zullen opleveren als het om de homoseksuele mens gaat.


Het is wellicht voor alle helderheid ook nog goed er op te wijzen dat de zogenaamde ezelsbruggetjes, die het hetero-, bi- of homoseksuele gedrag kunnen begeleiden, eveneens geen invloed hebben op het geslachtelijke. Ze zijn uitingen van het zoeken naar verheviging van het eigen seksuele gedrag. Hoe feminien of masculien deze seksuele spelvormen zich op het eerste gezicht ook voordoen. zoals bijvoorbeeld travestie, lingeriefetisjisme, bepaalde sadomasochistische partnerspelletjes, zij tasten de primaire genderidentiteit evenmin aan als bi- of homoseksualiteit dit doen. En ethisch gezien mag men ze evenmin onzedelijk noemen, als er tenminste bij de partners overeenstemming is over het genre gedrag. Men heeft te bedenken, de mens is nu eenmaal een sensueel wezen, net als mijn kat Aagje, en zoekt de sensatie onder andere in de erotische belevenis.

Als het om het overnemen van cultuurgedrag-patronen tussen man en vrouw gaat, is het zelfs niet juist om te beweren dat dit ongustig werkt op de kracht van de seksuele gedragingen van man en vrouw. Een vrouw bijvoorbeeld die het aardig vindt zwarte sigaren te roken, een ruitpet te dragen en met grote passen door de straten te gaan, een vrouw die kraandrijver wil worden, brandweerdame of zeer geleerd wenst te zijn, wordt geheel niet door dit streven in haar libido aangetast.

Ik haal speciaal de vrouw aan, omdat zij erg veel in die richting betutteld wordt. Wie meer wil weten over het bakerachtige van dit hardnekkige sprookje, kan uitstekend terecht bij Seymour Fisher, in zijn boek Het orgasme van de vrouw. Het is een heldere studie die vriendelijk een einde maakt aan dergelijke cultuurvooroordelen en -angsten. Maar het geldt ook voor heren, zachtmoedige, verzorgende mannen die het prachtig vinden met de baby rond te rijden, van bloemen houden, veel huishoudelijk werk verrichten. Mevrouw, ik verzeker het u - en u ook natuurlijk, meneer, als deze man homoseksueel is - hij is heerlijk in bedl, daar heeft zijn aandacht voor de vaatwasmachine, de zuigfles, de vuile luier. geen barst invloed op. Hij is ge-woon een rnan die trots is op zijn pikkie.


Nu ik de derde zijde van geslachtelijkheid uitputtend uit de doeken heb gedaan, getracht heb er op te wijzen hoe belangrijk deze kant is, naast de genetische, naast de genitaallichamelijke, kan ik eindelijk de vraag beantwoorden die ik in het begin stelde. Wat is interseksualiteit? Interseksualiteit is een gestoordheid, die reeds ontstaat voor de geboorte, als een van de drie kanten waarop het geslachtelijke berust beschadigd is, zich niet behoorlijk ontwikkeld heeft. In een aantal gevallen ontstaat dan een situatie waarin het geslacht onduidelijk is, een arbitraire zaak wordt, door geen God of goed mens stellig te bepalen. Ja, dat in de moeilijkste gevallen slechts de patiënt zelf uitkomst moet brengen, hoe onmachtig dit ook klinkt. En dan zitten we meteen met de kat in de medische gordijnen, want stel je voor: een patiënt die de richting van een eventuele behandeling moet aangeven - artsen gaan over het algemeen liever gewoon dood. Vooral als die patiënten ook nog kinderen zijn of puberteitsklantjes. En toch, onze Lieve Heer heeft het erg zelfstandig bedoeld toen hij de kunne veroorzaakte, hij gaf er de mens inzicht en macht over. Op dit punt mochten Adam en Eva bewuste individuen zijn.

Na deze theologische woorden een wat meer precieze specificering van het interseksuele. Ik ga uit van een eenvoudig helder boekje van de endocrinoloog Ian Ramsay, een handleiding die een overzicht biedt van wat er al zo mis kan gaan bij de mens uit hormonaal oogpunt en welke behandelingen eventueel gewenst zijn. Het is een tweede editie uit 1980, op de hoogte van de tijd bijgewerkt.

Ramsay onderkent in zijn studie drie vormen van interseksualiteit, geheel passend in de driepootstheorie over de basis van het geslachtelijke van de mens:

a. chromosome interseksualiteit; b. hormonale interseksualiteit; c. psychologische interseksualiteit. Deze drie vormen brengt hij weer onder in een tiental duidingen die elk hun speciale kenmerken hebben. De gevallen van chromosome en hormonale Interseksualiteit leveren geen moeilijkheden meer op, zeker niet als de aard van het geslacht toch nog wel met zekerheid te geven is, zoals bijvoorbeeld bij het Turner-syndroom, een interseksualiteit op chromosome basis.

Je kunt in die gevallen volstaan met eenvoudige verbeteringen en een juiste hormonale begeleiding. Daar waar de zaak zeer onduidelijk is, kan een snelle chirurgische bijstelling, berustend op een arbitraire geslachtsbepaling met later een passende hormoonbegeleiding, ook wonderen doen.

Slechts de te laat behandelde kinderen, dus na het tweede levensjaar, zeker het vierde levensjaar, en de snel bijgestelde kinderen die zich onverhoopt toch gaan verzetten tegen de arbitraire beslissing van de arts, moet men omzichtig behandelen, (loert* eerst met behulp van een psychologi-sche doorlichting zekerheid trachten te krijgen over de richting waarin de genderidentiteit zich aan het ontwikelen is, en uiteindelijk het kind zelf de keuze te laten inzake het geslacht. Pas na deze tijdrovende procedure kan Hormonaal en chirurgisch met een volledige bijstelling begonnen worden. Volgt de arts in de laatste gevallen deze omzichtige methode niet, dan gedraagt hij zich als een olifant in een porseleinkast en is er grote kans dat een dergelijk kind kapotgemaakt wordt, ondanks alle fraaie bedoelingen.


Nu komen we bij de derde vorm van interseksualiteit: de psychologische. Deze berust op zware genderidentiteitsstoornissen, die reeds heel vroeg in de kindertijd zichtbaar worden voor oplettende ouders.

Bij mezelf heb ik bijvoorbeeld achteraf vast kunnen stellen, dat er reeds tegen mijn derde jaar sprake was van een gedragspatroon dat nu zonder meer zou wijzen op genoemde stoornissen. Toen had het duidelijk kunnen zijn dat mijn primaire geslachtelijke identiteitsgevoelens opteerden voor het vrouwelijke, ondanks mijn mannelijke genitaliteft. Maar in die jaren omstreeks 1930 werd daar in het geheel niet op gelet, laat staan dat er een kinderpsycholoog of -psychiater zou zijn geweest in Nederland die er een barst van zou hebben begrepen. Ian Ramsay noemt - en dat is een algemene term - deze psychologisch interseksuele patiënten en patiëntjes transseksueel. Daar is niets tegen in te brengen, het is alleen bij kinderen een wat te zware term. Sommige artsen spreken daarom bij kinderen vóór de puberteit liever over genderdysforie, moeilijk te dragen sekse.

Hoe men het probleem van de psychologisch interseksuele patiënt moest aanpakken, daarover heeft zowel voor als na de Tweede Wereldoorlog nog lange tijd grote onzekerheid bestaan in medische kring. Het was ook moeilijk; uiteindelijk mankeerde er toch niets of heel weinig aan het genitale voorkomen van deze patiënten. Meestal kwamen ze bij de psychiater terecht, die met repressiemethoden de vreemde gevoelens trachtte te onderdrukken. Ronduit gezegd hielp dat geen donder, het is zelfs gevaarlijk. Langzamerhand echter kwamen er artsen die meenden dat ook hier in sommige gevallen een geslachtelijke bijstelling in de richting van de aanwezige genderidentiteit zin kon hebben. en naar in de praktijk bleek: met succes. Men noemt dit nu het detransseksualisèren van de patiënt. Vele leken denken dat die aanpak pas in de jaren zestig begon, maar dat is onjuist. Reeds in 1930 werd een dergelijke patiënt, en met redelijk resultaat, in een vrouwenkliniek te Dresden chirurgisch en primitief-hormonaal bijgesteld. Ze heeft een jaar gelukkig geleefd, ze heeft daar biografisch materiaal over nagelaten, ze was Deens en woonde een tijd in Parijs na de bijstelling, getrouwd en wel, want ze werd op last van de Deense koning juridisch overgeschreven. Ze stierf niet aan de gevolgen van de behandeling, maar aan een ernstige hartafwijking die ze reeds bezat.

In Frankrijk, ook in de jaren dertig, werd een soortgelijke patiënt geslachtelijk gerehabiliteerd. Ze was soldaat geweest in de Eerste Wereldoorlog, zij werd eveneens juridisch bijgeschreven. trouwde later en heeft lang en vreugdevol geleefd. Soms blijken sprookjes te kunnen bestaan.

Direct na de oorlog in jaren vijftig (1952 meen ik) werd in Engeland de tweeëndertigjarige oorlogsvlieger en racewagencoureur Cowell na een langdurig onderzoek en een hormoonbehandeling geopereerd, in vrouwelijke richting bijgesteld. Ze schreef er een alleraardigste biografie over, niet met de zweverigheid van het veel meer bekende boek van mevrouw Morris; in de biografie komt opnieuw naar voren dat ze erg tevreden en gelukkig was met haar vrouwelijkheid. Tussen twee haakjes: ook Roberta Cowell werd juridisch overgeschreven. Drie geslaagde behandelingen dus, die wantrouwige artsen hadden kunnen leren dat de psychologisch lnterseksuele patiënt gebaat kan zijn met een bijstelling.


Het is een vierde geval geweest, in de jaren vijftig, (het ging hier om een Amerikaanse patiënt die in Denemarken de behandeling onderging, het staat in de medische geschiedenis bekend als het Jorgenson-geval ), waardoor deze medische methode ten onrechte in een kwaad daglicht kwam te staan. Deze bijstelling belandde erg ongelukkig in de schandaalpers te New York. Christine Jorgenson werkte namelijk in de showbusiness en trachtte een slaatje te slaan uit haar vervrouwelijking. De stomme opgeblazen Deense chirurg, die wilde pronken met zijn prestatie, heeft, toen er Amerikaanse journalisten op hem afkwamen, botweg gezegd dat er niets aan de hand was, dat hij gewoon een man in een vrouw verbouwd had, ezelachtiger kon het niet.

Deze uitlatingen zorgden voor een lawine van vuiligheid via de sensatiejournalistiek en natuurlijk de fundamenteel christelijke pers die er met de bekende ethiek - 'God wil dit niet' - als een mestvaaltvlieg op afkwam. Het heeft na die tijd jaren de behandeling in een verdachte hoek gezet en de patiënten extra gestigmatiseerd. Gelukkig echter bleven verstandige en moedige artsen toch met de behandeling doorgaan, hoewel ze vaak zelfs bedreigd werden door de justitie - dit geldt ook voor de patiënten. Daar is nu een einde aan gekomen, geen enkele arts, hoe behoudend ook, kan zich nog officieel tegen deze bijstelling verklaren op straffe van ridiculiteit, hoewel, bij sommige psychiaters en EO-getinte heelmeesters is er nog wat gemompel in de marge.

Voor een deel is die gelukkige ontwikkeling te danken aan objectieve psychologische rapporten die in de loop van de jaren zeventig en vooral omstreeks 1980 verschenen. Hierin nam men de moeite om bij een aantal expatiënten na te gaan hoe ze zich sociaal en geestelijk verhielden met hun vrouwelijkheid respectievelijk mannelijkheid.

Deze rapporten vielen veel beter uit dan men vermoed had. In Nederland verscheen een dergelijke studie eind 1984, een kleine 140 behandelde patiënten werden er in doorgelicht: tussen 1968 en 1985 werden er ±350 bijstellingen verricht. 70% van de XY-patiënten, dus vervrouwelijkt, en 80 à 90% van de XXpatiënten, vermannelijkt, waren tevreden met hun nieuwe status, hoewel ze het sociaal vaak zeer moeilijk hadden, zwaar gediscrimineerd werden door de horde. En dan moet men zich ook nog bedenken dat bijna al deze mannen en vrouwen juridisch geen rechten hadden verkregen, vogelvrij leefden, omdat de Nederlandse wetgever op het moment dat dit rapport verscheen nog geen beslissing had genomen, of deze mensen juridisch ook mochten worden overgeschreven. Hollandse benepenheid op zijn gemeenst, een mooie vorm van huichelachtige discriminatie door de wetgever zelf ondernomen, zullen we maar zeggen...

Deze onzalige, belachelijke toestand is op dit moment godzijdank afgelopen. Alle vormen van interseksualiteit - dus nu ook de psychologisch interseksuele patiënt - die door middel van een bijstelling geslachtelijk gerehabiliteerd worden, kunnen bij de wet een passende juridische overschrijving in de Burgerlijke Stand krijgen. In Duitsland was er, om terug te keren tot het onderwerp, reeds in 1980 een natrekrapport verschenen, het spreekt dezelfde taal als de Nederandse studie. Al de vooroordelen dus van de ethici, ook artsen, al dat gekrakeel over: dat kan niet, dit is schandelijk, daar vermink je dergelijke ongelukkige mensen mee, die behandeling heeft geen enkel resultaat, ; onzedelijk, immoreel; deze gestoorde (sic) mensen zijn totaal niet in staat de gevolgen van hun stappen in te zien; men drijft ze naar zelfdoding, het moet strafbaar gesteld worden - deze rottige vooroordelen, ze zijn gelogenstraft door heldere en simpele rapporten.

Artsen en patiënten kunnen nu ademhalen, de stoom is van de vuile wasketel!

Over de behandeling van speciaal de psychologische interseksuele patiënt kan ik kort zijn. Ik volsta met erop te wijzen dat het in Nederland nu een volwassen medische behandeling is die behoorlijke resultaten geeft en deze patiënten tot volwaardige mannelijk- of vrouwelijkheid kan brengen. De chirurgische kant heeft breed genomen nog niet het hoge peil dat in de Verenigde Staten en Engeland is bereikt, er is één chirurg die uitstekend werk verricht, hij opereert in het VU-ziekenhuis, hij heeft zich ook laten scholen in de Verenigde Staten en Engeland.

Psychologisch moet er nog het nodige werk verricht worden, vooral ten opzichte van de genderdysforie-kinderen. Het is namelijk van groot belang dat deze afwijking reeds vroeg bij het kind ontdekt wordt, zodat het een niet-repressieve psychologische begeleiding kan krijgen, of het nu wel of niet tot een bijstelling komt. Met een dergelijke begeleiding kun je het ontstaan van ernstige jeugdtrauma's verhinderen.

Ik ben overigens wel van plan een apart essay te schrijven over de behandeling van de transseksuele patiënt, er zijn nieuwe ontwikkelingen aan de gang die dit interessant maken.


Ten slotte twee opmerkingen. Ten eerste over de mogelijke biologische factoren die psychologische interseksualiteit begeleiden. Tot nu toe zijn de berichten vaag - weinig hoopvol - zowel genetisch als enzymatisch-hormonaal, het is waar. Maar dan moet ik toch wijzen op de woorden van een endocrinoloog uit Nederland. Hij is belangrijk genoeg om met onderzoekingen over transseksualiteit voor te komen op de waslijst van psycho-endocriene studies, verzameld door het psychiatrische instituut van de staat New York. Ik noemde dit overzicht reeds. Hij zei me: 'Je moet goed begrijpen, Dirkje Kuik, dat we op dit moment slechts de reden proberen te ontdekken waarom een uiterst verfijnd Zwitsers uurwerk uit de achttiende eeuw, een onvergelijkbaar schoon stukje werk, een paar minuten vóór of achter loopt, en dat doen we dan door er met een grote stomme voorhamer op te tikken.'

Ik ben het me bewust, het is wishful thinking, maar over een vijfentwintig jaar zullen we het weten, dan vervalt de term 'psychologische interseksualiteit'. Buitendien voorspel ik dat dan alle vormen van interseksualiteit een genetische, een endocrien-enzyrnatische en een hersenprogrammatiebasis zullen hebben, dan zal interseksualiteit in die zin één pot nat zijn, hoe verschillend de vormen zich ook voordoen.

Ten tweede is het wellicht goed aan het einde gekomen van het medische gedeelte van deze lezing, een meer algemene kanttekening te plaatsen. Ter geruststelling: alle vormen van deze geboorteafwijking komen gelukkig zelden voor, op de 80.000 geboorten zijn het hooguit een honderd á honderdvijftig kinderen die werkelijk een ingrijpende bijstelling nodig hebben, daar reken ik ook de twintig gevallen van psychologische interseksualiteit of zoals u wilt transseksualiteit onder. Daarnaast bestaat er voor interseksualiteit een effectieve medische begeleiding. In de praktijk levert het eigenlijk geen probleem meer op, hoewel er nog vele vragen over de biologische achtergrond openstaan. Ouders die dus met dit probleem bij hun kind geconfronteerd worden, of het nu gaat om interseksualiteit van genetische, hormonale oorsprong, of dat het een genderidentiteitsstoornis betreft, ze kunnen te allen tijde door de arts gerustgesteld worden. Zeker wanneer ze leren begrijpen dat het toch geen barst uitmaakt of Pietje beter Marie kan heten of Hendrika beter af is met Jacobus Zevenster. De wereld verandert er echt niet door, de aarde draait gewoon verder. Maar voor het kind kan het het verschil betekenen of het een verloren bestaan zal leiden, of een zinvol leven tegemoetgaat.

Och, we vergeten het zo gemakkelijk omdat het zo vanzelfsprekend is een man, een vrouw te zijn, 99,9999% zit daar immers goed mee. Is echter dat geslacht een onduidelijke zaak, dan valt de basis onder het leven weg, dan kan men rustig spreken van een vergeefse geboorte, een kapotte toekomst als er geen hulp wordt geboden,


Er is nog één facet dat met de behandeling van interseksuele patiënten, ook de psychologisch interseksuele gevallen te maken heeft dat maar weinig onder de aandacht is gebracht, noch door artsen of psychologen, noch door sociale hulpverleners of ethici die zich druk met de zaak bezighielden.

Ik wil dit aspect een beetje toelichten op mijn manier, met mijn eigen ervaringen als ex-psychologisch interseksuele patiënt die achteraf buiten ieders schuld veel te laat hulp vond. Zou de behandeling in mijn kindertijd hebben bestaan, dan was ik op mijn achttiende een vrolijke meid geweest, ik verzeker het u, hoewel, dan had ik hier natuurlijk niet gestaan om een lezing te houden en misschien zou dat dan als een verlies moeten worden beschouwd, mijn onbegrensde ijdelheid neemt het aan.

Om dat facet helderheid te geven moet ik eerst het een en ander opmerken over een filosofie die het leven van alle mensen, of ze nu in Vuurland of op het sneeuwgebergte rondhangen, in Amsterdam of Peking wonen, ontwikkeld of onderontwikkeld zijn, beheerst. Ik bedoel de filosofie van de boterham en de goudzoeker. Daar worden we namelijk mee grootgebracht: zorg dat je er bij bent, hebben is hebben en krijgen is de kunst, laten we elkaar niets wijsmaken, zo leven we.

In Nederland kun je er best een standbeeld voor oprichten. Ik zie het voor me op de Dam, naast de fallus die de vrijheid symboliseert - vrouwelijke symbolen zijn in die zin weinig officieel te vinden. Naatje met haar Kloris op de Dam, de Nederlandse maagd met haar Apollo. Het moet beslist in hardsteen worden uitgevoerd, want anders wordt het beschadigd. Calvinisten houden niet van lijflijke beelden, Mondriaan kon niet eens tegen boerenkool.

Kloris Is aangekleed als een Urker visser met een bontmuts op het hoofd; Naatje draagt drie onderrokken, een keurslijf en een neepjesmuts. Ze zitten op een voetstuk bestaande uit drie dikke delen, je zou kunnen denken drie delen Statenvertaling. Op de rug staat 'God zij met ons'. In de gezichten van ,le twee ontwaart men geen echte ogen. ze bestaan uit van die ouderwetse v ierkante nikkelen stuivers; om de mond hangt een stroeve glimlach, die zegt: wij vieren feest op gepaste wijze. Kloris houdt een goed glas oude jenever in de hand, Naatje een glaasje anisette. Dat is het beeld van de filosofie waar we allemaal met de paplepel mee opgevoed worden en waarmee we als ouderen aan de leiband gaan. Geen prettige leiband, want naarmate we krakkemikkiger worden, hoe kortzichtig en dom en ongevoelig we zijn, bemerken we dat deze filosofie een kooi is die het leven tot een zinloze aangelegenheid maakt, het sterven wordt dan een nuttige uitkomst. Mensen hebben altijd geprobeerd uit die kooi van dood en zinloosheid van het bestaan te ontsnappen. Men noemt dat metafysica: het is het trachten door ervaren en denken de horizon van het bestaan een weinig te verleggen, het leven een bredere zin te geven die meer te betekenen heeft dan uitsluitend: hebben is hebben en krijgen is de kunst.

Sommige mensen worden met die metafysische aanleg geboren, men noemt ze dichters. Het zijn maatschappelijk gezien de minst getelden, een genre vrijetijdsbesteders waarvan de woorden op het einde van hun leven door platte schurken en derderangs omhooggeklommen ambtenaren in de mond genomen worden, als ze zichzelf wensen te vergulden. Gelukkig staat echter die weg eveneens voor de minder begaafden open. Het kan via de esthetica, het genieten, tot u komen, een grote genegenheid in uw leven doet u het ontdekken.

Soms ie er het religieuze.. Ik haast me echter te zeggen dat wat zich heden ten dage op dit punt voordoet slechts een meer doortrapte uitgave is van die boterham- en goudzoekersfilosofie, aantrekkelijk gemaakt door beroepstheologen die er een God met een baard en een almacht bovenop plakken. Gezag moet er toch zijn, wat anders te doen met het begrip onderdanen?

Maar soms is het mogelijk langs de weg van religie. Ik denk bijvoorbeeld aan die prachtige prozaschrijver en pedagoog Johann Amos Comenius, die In Naarden begraven ligt. Hij schreef Labyrinth van de Wereld, heel lang geleden. Dat is nu eens een cynische ironische metafysische verhandeling in proza die schoonheid en goedheid zoekt, hoewel niet op deze wereld; die de overbodige hebzucht van de goudzoeker vriendelijk veracht.

De Duitse theologe en feministe Dorothea Stille wees er op, dat in onze moderne maatschappij metafysisch gericht denken broodnodig is om aan de zinloosheid te ontsnappen, niet tot zelfvernietiging te komen. Ik geef haar gelijk, ook al ben ik het er niet mee eens dat dit denken zich uitsluitend kan ontwikkelen met behulp van het roomse kanarieboekje of de Heidelberger Katechismus. Ik weet zeker dat het bijvoorbeeld heel Papoea-achtig kan ontslaan in de vorm van voorouderdenken, animisme, daar heb ik namelijk zelf mee te maken.

Ze klaagt, om met haar verder te gaan, dut de mens niet meer tot metafysica kan komen omdal hij bang is te geloven in het wonder. Ze zegt letterlijk: mensen durven het niet meer le zeggen ze zijn bang dan voor infantiel aangezien te worden als ze bekennen: in mijn leven is een wonder gebeurd; ja, dat het leven zelf een wonder is, dat het vuile winterlicht door de besmeurde ruiten elke morgen een schoonheid brengt die verder reikt dan de horizon van het eenzelvige denken.


Nu een anekdote. Ik heb tijdens mijn bijstelling vrij veel medepatiënten leren kennen, ik heb ze ook geobserveerd. ook al was ik zelf afwijkend. Ik observeerde reeds als kind erg koel, dat is mijn aard. Toch heb ik voor geen van die patiënten werkelijk genegenheid opgevat, zij ook niet voor mij. Dat hoeft niet, het patiënt-zijn geeft geen bijzondere band, die mening berust op valse sentimentaliteit.

Er was echter één patiënt waar ik wél een band mee kreeg, maar dat was onder alle omstandigheden gebeurd. Er waren eenvoudig een aantal trefwoorden die ons tot elkaar brachten. Ze was evenals ik wat kunstzinnig ingesteld, ze had een vrolijk, humoristisch karakter, ze was verbaal, ze bewoog haar handen, dat doen de meeste Hollandse meiden niet, die hebben houten koppen en starre kluifjes. Daarbij sloeg ze zich blijmoedig en met veel puberale emoties door de behandeling heen, dat herkende ik. Dus werd ze min of meer een vriendin in de verte. In de verte, want ik zie haar maar weinig. Toch is ze vaak in mijn gedachten. Een jaar of twee geleden kwam ze eens te Utrecht aan. We zijn samen gaan eten in de stad, twee oudere meiden die veel plezier maakten, heel gelukkig.

Na afloop zijn we nog even naar mijn woning getrokken, ik had gebak en sherry in huis, zette thee. Zo zaten we samen in dat oude kamertje, ik ben er bijna geboren, leerde er lezen vóór mijn vijfde jaar, een kamer waar mijn ouders nog steeds als schimmen rondhangen. Ze zijn reeds jaren dood. Een kamer waar het werk van hun handen nog te vinden is, waar ik slechts de huishoudster mag spelen, de huisbewaarster, dat is best indrukwekkend.

Mijn vriendin voelde dit heel goed aan. Na een tijd zwijgen zei ze voor de hand weg, onverwacht: 'Lieve Dirkje, dat vind jij toch ook, is het niet: alle twee weten we precies waarom wij bijgesteld zijn, we kennen de redenen, we begrijpen de wetenschappelijke juistheid ervan, we zijn er blij mee. Maar ondanks al het begrip, dat vind jij toch ook, is het in werkelijkheid een wonder, noch jij noch ik hadden toen jaar geleden kunnen geloven in dit geluk!'

'Je hebt gelijk,' zei ik, 'hoe je het bekijkt, het is uiteindelijk een wonder.' Niet alle bijgestelde interseksuele patiëntjes, halfvolwassen patiënten of volwassenen zullen dat even scherp kunnen zeggen als mijn vriendin, maar ze beleven het in die zin zeker, daar steek Ik mijn hand voor in het vuur.

Daarom zou ik tegen de artsen en andere hulpverleners die dit genre patiënten begeleiden willen zeggen: wees niet te wankelmoedig. Natuurlijk is het een riskante onderneming, een geslachtelijke bijstelling, vergeet echter nooit: als het slaagt helpt u mee aan een wonder! En wie aan een wonder meehelpt, hoe wetenschappelijk zijn hulp ook gericht is, werkt mee aan een van de goede werken die er op deze wereld door mensen ondernomen worden.

En dat is zeldzaam.

Blaise Pascal had in het algemeen groot gelijk toen hij zei: 'Het is maar beter dat de mens niet uit de hoek van zijn kamer komti hij sticht er slechts kwaad mee.'

In dit geval gaan zijn woorden niet op.


Bron: Vrij Nederland, 30 november 1985
Door: Dirkje Kuik

Terug naar index