Volgende week promoveert medisch psycholoog Bram Kuiper aan de Vrije Universiteit in Amsterdam op het grootste onderzoek ooit verricht naar het levensgeluk van transseksuele mensen. Bijna alle mannen die vroeger vrouw waren en verreweg de meeste vrouwen die als man ter wereld kwamen, zijn heel blij met hun transformatie naar het andere geslacht.

Maar bij transseksuelen kunnen het verdriet en de verscheurde gevoelens over hun geslachtelijke identiteit pas verdwijnen als zij serieus genomen warden. En als zij uiteindelijk bevredigd warden in het erkennen van hun diepste wens; ook uiterlijk (!) te gaan behoren tot het andere geslacht. Omdat het hier gaat om een in de natuur verankerde OER-wens, te zijn wie je in wezen bent, kunnen transseksuelen het spoor bijster raken als zij niet warden opgevangen. Vooral kinderen lijden eronder als hun omgeving geen snars begrijpt van hun innerlijke wanhopige strijd. Heel wat meisjes weten dat zij eigenlijk een jongen zijn en veel jongetjes voelen dat zij een meisje zijn.

In het Utrechtse Academisch Ziekenhuis houdt het hoofd van de afdeling Klinische Psychologie, dr. Peggy Cohen-Kettenis, zich intensief bezig met kinderen die last hebben van problematiek rond de seksuele identiteit. Behalve in wetenschappelijk onderzoek is zij zeker ook geïnteresseerd in de kinderen zelf. "Hoe eerder zij hier komen, hoe groter de kans op een vroege diagnose en hoe heter wij die kinderen kunnen behoeden voor de lijdensweg waar zij door de samenleving maar al te vaak opgeduwd warden. Kinderen die worstelen met hun geslachtelijke identiteit moet je vroeg en goed in de gaten houden. Het is heel belangrijk dat zij niet ook nog andere ontwikkelingsstoornissen oplopen. En als je niet genoeg aandacht aan ze besteedt, gebeurt dat meestal. Dat vind ik erg."

Vooral het vroegtijdig diagnosticeren van transseksualiteit vindt zij belangrijk. "Bij heel jonge kinderen kun je al gedragsstoornissen signaleren die duidelijk voortkomen uit onlustgevoelens over de geslachtelijke identiteit. Je kunt dan nog niet meteen trefzeker vaststellen of zij later homoseksueel of transseksueel zullen blijken te zijn". Zij is van mening dat transseksualiteit een enorme aanslag op de persoon pleegt. "Het verzwaart je leven ontzettend, ik gun niemand zo'n ontwikkeling. Ik zou willen dat het te voorkomen was. Wat wij gelukkig wel kunnen doen, is die kinderen en de ouders opvangen en begeleiden".

Bij een greep uit een reeks symptomen bij jongetjes neemt Peggy Cohen de interesse voor make-up en sieraden, het voortdurend aan willen trekken van vrouwenkleren, het altijd met meisjes spelen en het afwijzen van contact met jongetjes. Dat alles vaak in combinatie met concentratiestoornissen, depressies en gevoel van eenzaamheid. De voorkeur voor meisjesspeelgoed, vrouwelijke attributen en meisjes moet bovendien hel intensief zijn en ook langdurig.

Essentieel is ook dat kinderen ZEGGEN dat zij van het andere geslacht zijn of willen zijn. Peggy Cohen: "Soms zeggen zij ook dat zij geen piemel willen hebben, Meisjes stoppen juist van alles en nog wat in hun onderbroek om er wel een te hebben."

Zij onderzoekt de kinderen op hun totale functioneren en in het bijzonder op geslachtelijke problematiek. Zij heeft daartoe een betrouwbaar instrumentarium ontwikkeld: uitgebreide vragenlijsten voor de ouders, interviews met de kinderen, spel-observatie waarbij de spel-voorkeur heel duidelijk wordt, en het laten maken van tekeningen. "In die tekeningen zitten heel wat prachtige indicaties."

De kans op een trefzekere diagnose neemt toe met de leeftijd. Zo tegen het 15de jaar kan men met grotere zekerheid zeggen al dan niet met transseksualiteit te maken te hebben. Peggy Cohen: "Denk je: dat is er een dan kun je hormonen gaan toedienen. Dan kom je meteen in de tweede diagnostische fase. Jongens veranderen dan geleidelijk aan richting meisje en meisjes gaan mannelijke kenmerken vertonen. Wij volgen dan nauwkeurig of dat psychisch en ook sociaal goed gaat. Een jongen met borsten op 4 HAVO kan lelijk in de problemen komen".

Doodongelukkig

Peggy Cohen zegt met nadruk dat transseksuelen die niet vroegtijdig in observatie en behandeling zijn gekomen, psychisch enorm vastlopen. "Zij zijn doodongelukkig. Meestal weten zij zelf wel wat er aan de hand is, maar durven er met geen sterveling over te praten. Zij voelen zich als kleuter al wanhopig. Dat kristalliseert zich geleidelijk uit tot: ik ben... een jongen of ik bon... een meisje"

Als die kinderen op hun vijftiende nog geen opvang hebben, zijn zij volgens Peggy Cohen ten einde raad. "Ik denk dat zij hierheen moeten komen als zij sterk het gevoel hebben dat hun gedrag geen flauwekul is. Soms zijn de ouders door het gedrag zelf gealarmeerd. Ik vind het prima als zij dan niet meteen in de gordijnen vliegen. Maar als het gedrag extreem is, kunnen zij heter stappen ondernemen. Ik zou best kinderen van drie tot vier willen hebben, alleen al om de ouders handvatten te kunnen geven bij al die onzekerheden.

Tim

Tim uit Groningen (6 jaar!) geeft nu al op onweerstaanbare wijze de wens te kennen een meisje te zijn. Hij is zich er niet van bewust dat hij het geluk heeft vroegtijdig in een veilig maatschappelijk vangnet beland te zijn. Wat heeft Tim een geluk gehad met de keuze van zijn ouders! Want zijn papa en mama zijn echt blij met hun zoon. Dat hij over een aantal jaren misschien een meisje wordt en ook verder als vrouw door het leven zal gaan, zal hun wel een zorg zijn, maar het verandert niets aan hun onvoorwaardelijke liefde voor hun kind. Straks een dochter hebben, die nu nog een zoon is. Geen gemakkelijke opgave! "'t Zal toch niet waar wezen..." hebben papa Klaas en mama Olga in het begin ook wel eens heimelijk gedacht.

"Nu gelukkig niet meer hoor," zegt Olga. "Zo'n benadering van je kind heeft met liefde natuurlijk weinig uit te staan. Maar eenvoudig liggen dit soort dingen niet. Je moet eerst wel ergens doorheen. Misschien is Tim zelf onze grootste steun, omdat hij zo duidelijk aangeeft wat hij wil. In wat hij zegt en in wat ie doet, maakt hij kenbaar dat ie dolgraag een meisje wil zijn. Dat neemt die vreselijke twijfels weg waarmee wij vooral in zijn kleutertijd zo hebben geworsteld."

Vanaf het moment dat Tim over de grond kruipt wil hij niets weten van jongensspeelgoed. Autootjes, een garage, zijn blokken, 't blijft allemaal onaangeroerd liggen. Hij is gek op glitterspullen zoals sieraden. Dol op alles wat lieflijk is. Zelfs de toch ook voor meisjes soms attractief fel gekleurde Legosteentjes houdt hij voor gezien. Maar als hij ergens een Barbiepop in z'n knuistjes krijgt, is hij voor de rest van de dag zoet. Terwijl papa en mama vruchteloos blijven proberen hem een duwtje te geven in de richting van typisch jongensspeelgoed, houdt Tim zich bezig met het opbouwen van een prachtige collectie Barbie-spulletjes.

Olga en Klaas zijn toevallig ouders die het prima vinden als jongens met meisjesspeelgoed spelen en omgekeerd. "Maar", zegt Olga, "hij had voor Jongensspeelgoed in de verste verte geen aandacht. Er gebeurden trouwens ook andere dingen. waarvan Klaas en ik dachten: hé, toch wel een beetje vreemd eigenlijk. Er komen wel bepaalde gedachten bij je op, maar die druk je dan weer weg."

Als Tim op z'n derde begint te praten, vraagt hij uitsluitend en alleen om roze dingen. Wat 't ook is, het moet roze zijn. Ook roze kleren. Zijn ouders proberen dat een beetje of te remmen, maar als een grote neef een roze shirt draagt, slaat Tom zijn slag. ,Waarom mag ik dat niet en Nico wel?" Zijn moeder vraagt dan haar schoonzus voor Tims verjaardag maar een roze hemd of zo iets uit te zoeken. Dat blijkt zijn mooiste cadeau!"

Panty's

In Tims kleuterperiode gaat het zo allemaal wel. Hij is wel erg druk en gauw driftig en kan eindeloos zeuren en drammen. Maar ja, lastige kinderen zijn er wel meer. Vanaf zijn vijfde jaar rukt Tim, als hij de kans krijgt, zijn moeders panty's uit de kast. Vaak sloft hij op hoge hakken en een damestas op zijn schouder door de buurt. Hij is klein als al die dingen nog leuk gevonden worden. Onderling accepteren de kleintjes alles van elkaar. Het is de gewoonste zaak van de wereld dat Tim bij rollenspelletjes altijd de vrouw is; de juf op school of de moeder thuis. Wordt er al een keertje tegenin gegaan dan weet doorzettertje Tim het altijd wel zo te draaien dat de andere kinderen zijn vrouwenrol toch maar pikken. Vriendjes in de buurt heeft hij helemaal niet. Neemt hij bij hoge uitzondering een keer een jongetje mee van school, dan maken Klaas en Olga in het begin nog graag van de gelegenheid gebruik te zeggen: pak nou eens geen poppen maar iets anders, dat is voor je vriendje misschien leuker. Maar binnen de kortste keren is Tim toch weer gelukzalig met vrouwelijke dingen bezig.

"Wij hebben veel of moeten leren," zegt Klaas. "In het begin gaat het tegen je eigen natuur in om je zoon niet als jongen te kunnen zien. Ik ben een sportliefhebber. Je wilt dat hij op straat ook voetbalt. Maar hoewel hij nu bijna zeven is, weet hij niet wat een voetbal is."

De echte problemen komen als Tim naar de basisschool gaat. 't Is gedaan met het beschutte wereldje van thuis en van de kleintjes die alles accepteren. Hier wordt hij geplaagd door grote kinderen. Gepest met een lange meisjesachtige fietsbroek. Uitgejouwd om een korte roze broek met zwarte strepen. Klaas: "Vorige week nog wilde hij die roze broek per se niet aan toen hij naar zwemmen ging. Om niet geplaagd te worden, begint hij nu dingen achterwege te later."

Alsmaar vaker en heviger komen Tims vrouwelijke oergevoelens in conflict met zijn lijfelijke geslachtelijke uitrusting. Op de leeftijd van zes of zeven begint een kind na te denken en ook rekening te houden met goedkeuring of afkeuring in de maatschappij. Als Tim vijf jaar is hebben Klaas en Olga persoonlijke vermoedens en gevoelens onder elkaar wel aangestipt, maar van een definitieve en heldere verwoording is het nog niet gekomen. Zij aarzelen, weten niet goed raad met Tim. Zoals zo vaak, speelt een grootouder, in dit geval Olga's moeder, een engelenrol. Terwijl papa en mama alle krantenartikelen spellen over buitensporig lastige en moeilijk opvoedbare kinderen, werkt oma rustig toe naar een bijzondere relatie met Tim en verovert zijn hartje.

Klaas en Olga zien dat hij zich lekker voelt bij oma, maar willen toch haring of kuit hebben. Zij gaan naar een iriscopist. Misschien verstoort een bepaald orgaan, bijvoorbeeld de schildklier, het gedrag van hun zoontje. Op basis van de conclusie van de iriscopist dat het kind overgevoelig is voor bepaalde kleurstoffen en suiker, stelt een diëtiste een bepaald voedingspatroon voor.

"Wij dachten dat het hele drukdoenerige en weerspannige er toen een tikkeltje afging," vertelt Olga, "maar dat meisjesachtige bleef. En eigenlijk bleef ie ook moeilijk te hanteren."

Dan besluiten de ouders de huisarts met de nodige nadruk op het sterk meisjesachtige gedrag te wijzen. De dokter neemt de zaak serieus en stuurt het kind naar een neuroloog. Als die niets bijzonders vindt, verwijst hij onmiddellijk door naar een kinderarts. Deze heeft net iets gelezen over ernstige geestelijke conflicten die ontstaan als mensen zich absoluut niet thuis voelen in het geslachtelijke lichaam waarin zij huizen. Hij vertelt Klaas en Olga wat er mogelijk aan de hand is en belt ondertussen de specialisten op dit terrein in de Amsterdamse VU op. Die verwijzen door naar de klinisch psycholoog dr. Peggy Cohen in Utrecht, die zich vooral bezighoudt met de vroegtijdige waarneming van geslachtelijke stoornissen bij kinderen.

"Wij zijn er begin en eind maart geweest. Er moesten lange vragenlijsten worden ingevuld over alle mogelijke aspecten van het kindergedrag. Peggy heeft uren besteed aan het observeren van Tim. Zij deed ook spelobservatie en keek wat hij 't liefste aandeed bij verkleedpartijen. Zij doen 't daar fantastisch. Als je van veraf komt, proberen zij zoveel mogelijk op een dag te doen."

Pilletje

"Wij waren als de dood van het kastje naar de muur gestuurd te worden. De woorden van die kinderarts, dat er op dit gebied specialisten zijn, klonken als een verlossing. Diep in je hart weet je al lang dat er iets bijzonders is. Je blijft zoeken. Navragen. Lezen. Is dit Tim? Of zit hij meer in elkaar zoals in dat andere artikel beschreven wordt? Eigenlijk heeft mijn moeder ons er al eerder op attent gemaakt. Tegen haar had Tim wel gezegd dat hij een meisje wilde zijn. Hij wilde daar graag een pilletje voor hebben. Dat hij zich bij oma zo veilig voelt, komt doordat zij al lang op zijn gevoelens ingaat. Zij speelt veel met hem met die Barbie-poppen.

Laatst zei ze tegen hem: ik ga een leuk jurkje voor de pop maken. Het worden er twee. Toen Klaas en ik zijn onstuimige blijdschap zagen, begrepen we dat we het vaak niet goed hadden gedaan en hem anders moesten benaderen."

Klaas: "'Het Was ook vaak verrekte moeilijk. In je hart wil je als vader dat je zoon een zoon is. Dat hij dingen doet die jij doet. Nu realiseer ik me dat ik gelukkig ben als hij gelukkig is."

En diep in haar moederhart zou Olga Tim nu meteen in een meisje omgetoverd willen zien. "Als ik eerlijk ben, zou ik 't liefst willen dat hij nu al omgebouwd zou kunnen worden. Alles in een keer. Dan heb je 't maar gehad. Dat kind wil een meisje zijn. Laat 'm dat dan ook zijn! Dan kan het door ons en iedereen als meisje bekeken en benaderd worden. Hij of zij is ons even lief. Nu krijgt hij misschien ook nog een moeilijke tijd.

Toen hij pas nog op een zondagmorgen bij ons in bed lag, hadden wij 't er nog over. Je polst dan wat. Als je nou een meisje wilt worden, zei ik, wat ga je dan later doen? Zonder een seconde bedenktijd antwoordde hij nuchter: "Nou, dan moet ik met een jongen trouwen."

Olga: "Als je als ouder denkt dat er in die sfeer iets is, laat je dan niet ompraten. Trek je niets aan van mensen die zo dom zijn te denken dat je een beetje getikt ben. Ga op je gevoel of en zoek een vertrouwenspersoon. Probeer vooral niet het gedrag "een andere kant" op te drukken."

Klaas: "Eerlijk gezegd ga ik een enkele keer ook nog wel eens in de fout. Dan roep ik naar buiten: speel toch gewoon, zoals de andere JONGENS..."

Op dringend verzoek van de ouders zijn gefingeerde namen gebruikt.


Bron: Telegraaf, 13 april 1991
Door: Andre Kromme

Terug naar index