Nederland telt vijfhonderd transseksuelen. Vierhonderd nieuwe vrouwen en honderd nieuwe mannen. De operatieve ommezwaai heeft ze een stuk gelukkiger gemaakt, luidt de conclusie van een rapport van de Universiteit van Utrecht. "Maar het blijft een hele opgave om zich ook naar de nieuwe sekse te gedragen." aldus klinisch psycholoog Bram Kuiper. Dat ondervindt ook Immanuel B. de Vries, tot voor kort nog mevrouw Imgard de Vries, moeder van drie kinderen, maar nu meneer.

Een vlassig baardje onder aan de kin, behaarde armen waarop een tatoeëring prijkt en een zware stem: behalve een vrouwelijk handschrift verraadt niets meer dat treinsteward Immanuel uit Capelle a/d IJssel ooit een welgevormde blondine was.

"En toch word ik nog heel vaak met mevrouw aangesproken. Of het nu aan mezelf ligt of aan de anderen: er schijnt iets typisch aan me te zijn, iets waardoor de mensen twee keer nar me kijken. Vooral kinderen hebben het al snel door. 'Papa, die mevrouw heeft een mannenstem,' roepen ze dan door de trein."

Wijdbeens op de bank gezeten, gehuld in een overhemd met krijgshaftige adelaars, de haren netjes naar achteren gekamd, vertelt Immie de Vries met ogenschijnlijk gemak over zijn leven. Een verhaal over kwellende onzekerheid, voortdurend falen, het gedwongen verbergen van mannelijke gevoelens in een vrouwelijk.

"Ik kan er nu over praten, omdat ik - eindelijk - mijn uiterlijk meer aan mijn innerlijk heb kunnen aanpassen. En ik moet er ook over praten, omdat er veel meer vrouwen zoals ik zijn, die in de schaduw van de mannelijke transseksuelen leven. Over ons wordt nauwelijks gesproken. Het is natuurlijk ook niet zo spectaculair als een man die een vrouw wil zijn. Mannelijk gedrag van een vrouw wordt toch iets eerder geaccepteerd. Maar ook al pomp ik nog zoveel hormonen in mijn lichaam, ook al ben ik al mijn vrouwelijke kenmerken kwijt, ik zal nooit als man een normaal leven kunnen leiden. Zwemmen kan ik niet, omdat dan onmiddellijk duidelijk wordt wat er met me aan de hand is. Op toiletten hoop ik maar dat de mogelijkheid bestaat om een deur achter me te sluiten, want urinoirs zijn niet voor mij. "

Een foto van Irma toen en een blik op Immie nu: het verschil is bijna ongelooflijk. "Toch heeft die één steeds in de ander ggehuisd." Gelukkig zal Immie nooit worden, dat staat duidelijk te lezen in de hazelnootbruine ogen, maar in ieder geval is hij nu gelukkiger dan Irma ooit zou kunnen zijn. "Als kleuter ging het wel, omdat je op die leeftijd nog naar je gevoel mag leven, maar op school wend ik in het keurslijf van een meisje gedwongen. De puberteit vond ik verschrikkelijk. Ik durfde niet voor de klas te staan, omdat ze konden zien dat ik een meisje was, dat ik een beha droeg. Ik kon dan niet meer uit mijn woorden komen. "Ga maar met je rug naar de klas staan," zei de leraar troostend. Maar ik raakte in paniek: Dan zagen ze toch op mijn rug de sluiting zitten."

Ook al voelde Irma zich een jongen, aan de buitenkant was dat absoluut niet te zien. "De jongens zaten zelfs achter me aan," vertelt Immanuel. "Op mijn zeventiende ben ik getrouwd. Waarom? Thuis werd uitgekeken naar het moment, waarop ik de deur zou uitgaan en omdat ik door al die verwarrende gevoelens een onzeker buitenbeentje was geworden, leek me de rust, de zekerheid en de status van een huwelijk wel verleidelijk. Maar ik had niet aan de gevolgen gedacht, dat ik dan ook een vrouw oor mijn man moest zijn. Wat heb ik het die man moeilijk gemaakt in de zes jaar dat we getrouwd zijn geweest! Alleen de gedachte van een zoen deed me op het laatst walgen", vertelt Immanuel, die desondanks toch nog twee dochters kreeg.

"Ik kreeg die kinderen niet, mijn lichaam kreeg die kinderen. Ik hield wel van ze, heel veel zelfs. Maar van een afstand. Ik tuttelde ook niet met ze, maar stoeide. Als ik met de kinderwagen op straat liep, ging ik met twee wielen door de bocht om mezelf een houding te geven.

Irma had haar best gedaan om het leven van een keurig getrouwde vrouw te leiden, maar na zes jaar kon ze haar kwellend innerlijk niet langer negeren. Ze moest en zou uitzoeken wat er nu met haar aan de hand was. "Ik had na veel jaren een jeugdvriendinnetje ontmoet. Ik trakteerde haar, naam haar mee uit, beschermde haar in het gewoel van de Amsterdamse binnenstad. Dat was alles, maar ik vond het fantastisch. Aan transseksualiteit dacht ik niet, dat bestond zestien jaar geleden niet eens. De conclusie lag voor de hand: ik ben lesbisch, dacht ik."

Maar na enige relaties merkte Irma dat lesbiennes niet beantwoorden aan haar gevoelens. "Ik had een hekel aan het lijf, waarin zij zich prima thuisvoelden." Het leven werd daarna bijna ondraaglijk onzeker. "Ik heb op de vloer van mijn woning geleefd, omdat ik niet boven de vensterbank durfde uit te komen, zo bang was ik dat iedereen het aan me kon zien dat ik half man, half vrouw was." Haar enige houvast was haar werk als treinstewardess. "maar ja, daarvoor moest ik wel in rok. Ik schaamde me dood en kwam nauwelijks mijn hokje uit. Er kwam een begrijpende conducteur op bezoek. 'Je moet toch wel eens met de rijdende bar door de trein, boor'. En toen het hoge woord eruit kwam dat ik me zo schaamde voor mijn rok, dacht hij met een mannelijke transseksueel te maken te hebben die nog moeilijk kon wennen aan haar nieuwe uiterlijk. 'Geeft niets hoor, je ziet er heel vrouwelijk uit.', zei hij troostend. Ik dacht. dat ik door de grond ging!"

Bezoeken aan een psychiater boden weinig soelaas, begrip en herkenning vond Irma pas toen ze een boek van een transseksueel onder ogen kreeg. "Het ging weliswaar om een man, maar zoveel van zijn problemen waren de mijne!" Terwijl de trein over de rails raasde, las Irma op de schoot van haar stewardessrok de bladzijden stuk van 'Ik Moniek: een vrouw'. "Eindelijk wist ik het!"

Zesendertig jaar als vrouw en nu vier jaar als man. De verandering heeft Irma twee jaar operaties, psychiatrische begeleiding en een eeuwigdurende hormonenkuur gekost om Immanuel te worden.

"Gek hè, dat ik je ooit mama heb genoemd," zegt derde dochter Martine (14) die na de scheiding is geboren en als enige bij Immanuel leeft. Papa zal Immanuel nooit worden. "Sommige transseksuelen hebben een hekel aan die term. Ik ben nu man of vrouw zeggen ze. Maar dat is natuurlijk niet waar. Ik heb zolang als vrouw geleefd, het vrouw zijn is me ingeprent. Dat leer ik nooit meer af. Ik ben en blijf tweeslachtig."


Bron: Telegraaf, 19 augustus 1985

Terug naar index