|
|
||
|
|
Een confrontatie met een transseksueel laat
nimmer na diepe indruk te maken. Het blijft een schier onmogelijke opgave
ons werkelijk te verplaatsen in wat de transseksueel ons meedeelt: lid te
zijn van het andere geslacht, terwijl zijn/haar lichaam dat weerspreekt.
Het vervult ons met gevoelens van verbazing, zo niet huiver of lichte
afkeer. Waarom? Het raakt het lichaam, het raakt categorieën als man- en
vrouw-zijn. Transseksuelen overschrijden de 'natuurlijke grenzen' tussen
de geslachten. Voor ons, mensen, is de tweedeling tussen de geslachten
van eeuwigheidswaarde. We ervaren de lichamelijke verschillen tussen
mannen en vrouwen als vrijwel absoluut. In onze beleving zijn man en vrouw
elkaars tegenpolen, elkaar uitsluitende categorieën. Dieren, en zelfs
sommige planten, zijn óf mannelijk óf vrouwelijk. Het heeft er dus alles
van weg dat man- of vrouw-zijn uitdrukking is van een natuurlijke orde,
zoniet van een scheppingsorde: 'Man en vrouw schiep Hij hen'.
Bij de geboorte van een
mensenkind is de eerste vraag: is het een jongen, is het een meisje? De
vraag wordt beantwoord op grond van een meer of minder vluchtige blik op
de uitwendige geslachtsorganen van de boreling. Dat gebruik voldoet in de
praktijk en lijkt dan ook niet aan herziening toe. Jongetjes worden
mannen, meisjes vrouwen; het heeft er veel van weg dat dit een soort
automatisme is, een intrinsiek proces. De hormonen van de puberteit
benadrukken de geslachtsverschillen nog eens en voeren tot de vereniging
van man en vrouw in de voortplanting, tot het voortbestaan van onze soort;
voor sommigen een goddelijk gebod, voor anderen een inherente biologische
eigenschap van levende organismen. Zo gaat het er bij alle volkeren op
deze aarde aan toe, in weerwil van hun onderling grote culturele
verschillen. Transseksuelen, in hun verlangen tot het andere geslacht te
behoren, 'tasten' deze zo zekere orde aan, ze willen grenzen overschrijden
die niet overschreden kunnen worden. Kunnen wij hen begrijpen? Ze dwingen
ons de categorieën van man- en vrouw-zijn nader te onderzoeken.
Man of vrouw worden
Sinds het begin van deze eeuw is er een vrij
duidelijk beeld ontstaan hoe bij zoogdieren (waartoe de mens als soort
gerekend moet worden) het proces van geslachtelijke differentiatie tot man
of vrouw verloopt. Het is een proces dat zich in afzonderlijke stappen
voltrekt; iedere stap kent zijn eigen 'kritische periode', dat wil zeggen
dat deze stap in de differentiatie uitsluitend gedurende deze ene
ontwikkelingsfase van het organisme kan plaatsvinden. Is deze kritische
periode eenmaal voorbij dan kan de differentiatie die daarin plaats heeft
gehad niet meer teruggedraaid worden. Bij iedere stap in de differentiatie
is er een bipotentialiteit: het organisme kan zich volgens een mannelijk
of een vrouwelijk patroon ontwikkelen. Dit is echter geen kansspel. Als de
genetische codering van de versmolten ei- en zaadcel een Y-chromosoom
bevat, dan ontwikkelt de bipotentiële geslachtsklier zich tot teelbal;
zijn er daarentegen twee X-chromosomen, dan wordt de geslachtsklier een
eierstok. Vervolgens vindt de ontwikkeling van de inwendige
geslachtsorganen plaats. Aanvankelijk zijn deze bij de toekomstig
mannelijke of vrouwelijke vrucht volkomen identiek. De 'spontane
inherente' ontwikkeling is in vrouwelijke richting en er ontwikkelen zich
een baarmoeder en eileiders. Is er een teelbal, dan gaat deze hormonen
produceren en uit de structuren die bij de vrouwelijke vrucht baarmoeder
en eileiders zouden worden, ontstaan de prostaat en de zaadleiders. De
volgende stap is de ontwikkeling van de uitwendige geslachtsorganen. Het
paradigma is identiek: de spontane ontwikkeling is tot vagina, clitoris en
schaamlippen. Indien de teelbal normaal functioneert en hormonen
produceert ontwikkelen deze structuren zich tot penis en balzak. Normaal
verloopt dit stapsgewijze proces 'ordelijk'; dat wil zeggen: iedere stap
stuurt de volgende stap verder in de reeds ingeslagen óf mannelijke óf
vrouwelijke richting. Normaal gesproken gaat er van een mannelijk XY- en
een vrouwelijk XX-chromosomen-patroon een sterk voorspellende waarde uit
dat dit organisme zich ook inderdaad tot óf man óf vrouw zal ontwikkelen.
Maar zo gaat het niet altijd.
Spelingen van de natuur
Probeert U zich voor te stellen wat het zou
betekenen als wij iemand in de bovenstaande situatie, bij voorbeeld
iemand die normaal als vrouw leeft, misschien zelfs getrouwd is, zouden
confronteren met het 'wetenschappelijke feit' dat zij genetisch en qua
geslachtsklieren en inwendige geslachtsorganen, 'gewoon een man is'. Van
een onvergeeflijke wreedheid jegens deze vrouw en eventueel haar
echtgenoot, maar wetenschappelijk 'juist'. Of misschien toch niet?
Blijkbaar is man- of vrouw-zijn toch complexer dan een optelsom van een
aantal objectiveerbare biologische variabelen. Laat ik maar liever niet
van biologische determinanten spreken; die term is hier blijkbaar niet op
zijn plaats.
Gender-identiteit
Nog ingewikkelder wordt de situatie als
kinderen bij de geboorte ambigue, tweeslachtige geslachtsorganen hebben.
Wat moet je dan als ouders? In het tijdperk voordat de geneeskunde
zwangerschap en geboorte tot haar domein had verklaard, hanteerden ouders
meestal de regel om het kind aan dat geslacht toe te wijzen waarmee het de
grootste gelijkenis vertoonde. In een agrarische samenleving kende men dit
verschijnsel van tweeslachtigheid wel uit het dierenrijk. Men wist dat er
geen voortplanting mogelijk zou zijn, maar dit mensenkind moest toch een
plaatsje innemen en dat kan niet als 'het', dat kan alleen maar als
jongetje of als meisje, als zoon of als dochter, als zusje of als
broertje.
Een belangrijke bevinding van Money was dat
kinderen die tot hun derde of latere jaar in het ene geslacht waren
opgevoed en bij wie op grond van biologische 'geslachtsdeterminanten' het
dienstig werd geoordeeld dat ze tot het andere geslacht zouden overgaan,
het niet meer lukte om hun gender-identiteit aan het 'nieuwe geslacht' aan
te passen. Ook hier drong zich de parallel met andere stappen uit de
geslachtelijke differentiatie op, namelijk dat er bij de ontwikkeling van
de gender-identiteit ook sprake moet zijn van een kritische periode: een
bepaalde fase in het ontwikkelingsproces tot man of vrouw kan alleen
gedurende deze kritische periode plaatsvinden. Is deze voorbij, dan is een
'point of no return' bereikt. Het blijft in dit mensenleven zoals het
geworden is tijdens deze kritische periode.
Soma versus psyche, of de transseksueel
en de geneeskunde
Uit het werk van Money werd duidelijk dat
een eenmaal verworven gender-identiteit in iemands leven hetzelfde
'hardheidsgehalte' heeft als biologische waarheden als een genetische
code, geslachtsklieren en geslachtsorganen. Accepteren we deze stelling,
gewend als we zijn te denken in de tweedeling geest en lichaam? Is het
lichaam niet het biologisch gegevene, in zijn geslachtelijkheid
onveranderlijk en onveranderbaar? Is gender-identiteit niet iets psychisch
en uit dien hoofde veranderbaar als de wil daartoe maar aanwezig is? Het
is toch een (stoornis in een) psychologisch ontwikkelingsproces? De
psychoanalyse vertelt ons toch dat wat psychisch scheef groeide, toch ook
met psychologische methoden rechtgebogen moet kunnen worden. De praktijk
leert anders. Transseksuelen ervaren hun gender-identiteit als waar, als
hun echte zelf. Het lichaam is de sta-in-de-weg in hun compleetheid als
man of als vrouw. De psychotherapie kan ook niet bogen op therapeutische
successen in personen met een diepgaand gender-identiteitsconflict. De les
moet zijn dat een gegeven als gender-identiteit in iemands leven een
zodanig 'hardheidsgehalte' heeft dat tornen hieraan door de betrokkene als
een aantasting van de eigen integriteit wordt ervaren. Dit is een
empirisch gegeven; ook al strookt het niet met theorievorming in een deel
van de psychologie, het is er niet minder waar om.
Intussen is, als men toch wil toegeven aan
onze preoccupatie met de biologische bepaaldheid van man- en vrouw-zijn,
de neuro-anatomie de transseksueel misschien wel te hulp gekomen. Sinds
het begin van deze eeuw werd in het proefdiermodel duidelijk dat de
geslachtelijke differentiatie tot man en vrouw niet afgesloten is met de
vorming van de uitwendige geslachtsorganen, het criterium om een dier
(maar ook een pasgeboren mens!) als mannelijk of vrouwelijk aan te duiden.
Het bleek dat ook het centrale zenuwstelsel een vermannelijking of
vervrouwelijking onderging en dat dit proces als regel pas na de geboorte
plaats vindt. (Paar)gedrag en geslachtsorganen blijken op elkaar
afgestemd! En zoals bij de voorgaande stappen in het proces van seksuele
differentiatie blijkt dat bijna altijd ook wel te kloppen. Vindt er bij de
mens een parallelle ontwikkeling van vermannelijking of vervrouwelijking
van de hersenen plaats? Zeker voor een deel, al zijn de overeenkomsten nog
steeds groter dan de verschillen. Er zijn echter anatomische
geslachtsverschillen in de menselijke hersenen aantoonbaar. Recent kon in
een gezamenlijke onderzoeksinspanning van het Nederlands Instituut voor
Hersenonderzoek en het genderteam van de Vrije Universiteit aangetoond
worden dat een bepaald kerngebied in de hersenen bij mannen en vrouwen
verschillend ontwikkeld is, en voorts dat bij man-naar-vrouw
transseksuelen dit kerngebied een vrouwelijke structuur toont. Toch nog
een biologische legitimatie van de status van transseksueel? Is hier
sprake van hermafroditisme, maar dan op hersenniveau?
Het valt te begrijpen dat de wens van
transseksuelen om door hormonale en chirurgische behandeling aan het als
eigen ervaren geslacht aangepast te worden traditioneel met reserve is
ontvangen in de geneeskunde. Kan het bestaan dat zo'n wens gehonoreerd
wordt op grond van het 'psychische' gegeven dat de eigen beleving van de
gender-identiteit niet aansluit bij de biologische werkelijkheid van de
geslachtelijke kenmerken? Het staat zo ver van de gebruikelijke praktijk
in de geneeskunde. De subjectieve klacht is weliswaar het beginpunt van
een diagnostisch proces, maar uiteindelijk bepaalt toch de feitelijkheid
zoals die aan de dag treedt in het objectiverende onderzoek van
laboratorium of röntgenonderzoek, of een klacht van een patiënt verwijst
naar een ziekelijk proces of dat hij zich maar wat inbeeldt en geholpen is
met geruststelling en als dat niet voldoende is , dat hij maar eens met
een psychiater moet praten. Bij de transseksueel is er in het laboratorium
niets mis. Integendeel, alle biologische geslachtsdeterminanten zijn
helemaal in orde. Hoe kan een transseksueel in redelijkheid van een arts
verlangen dat deze met hormonen en het chirurgische mes gezond weefsel
aantast. Het verdraagt zich niet met het adagium in de geneeskunde 'primum
non nocere', vooral geen schade willen toebrengen.
Naar een nieuwere geneeskunde?
Het botert niet tussen de transseksueel en
de traditionele geneeskunde. De transseksueel valt buiten de traditionele
theoretische kaders van denken over man- en vrouw zijn. Hoe reageert de
geneeskunde hierop? Kan de transseksueel dan ook niet bestaan? Of moet het
verschijnsel transseksualiteit juist een uitdaging zijn om deze denkkaders
over geslachtelijkheid eens te heroverwegen. Kunnen we man- en vrouw-zijn
vaststellen met de biologische variabelen die we in de geneeskunde hebben
ontdekt?. Of is het toch ingewikkelder? Hebben we toch niet alle aspecten
van mannelijkheid en vrouwelijkheid kunnen vangen onder deze biologische
variabelen? Is de geneeskunde als wetenschappelijke discipline wel
competent om alles over man- en vrouw-zijn te kunnen en te mogen zeggen.
Moeten we ons als beoefenaars van een wetenschappelijke discipline,
nevengeschikt naast andere disciplines, niet realiseren dat we, net als
die andere disciplines, de werkelijkheid reduceren tot wat we met de
specifieke wetenschappelijke methoden van die discipline kunnen
onderzoeken. We moeten ons realiseren dat als we 'solide wetenschappelijke
bevindingen' uit die discipline te berde brengen, dat een reductie is van
een meer complexe werkelijkheid, daarmee niet waardeloos of nutteloos,
maar beperkt. Kunnen we over man- en vrouw-zijn niet beter te rade gaan
bij de dichter dan bij de dokter?
Een aantal artsen heeft gemeend dat toch op
de wensen van de transseksueel ingegaan moet worden. Niet dat zij doof
zijn voor het genoemde opvattingen, maar omdat zij geloven dat het lijden
van de transseksueel onhoudbaar groot is en dat bij de huidige stand van
kennis de transseksueel niets beters te bieden valt dan een zo goed
mogelijke aanpassing aan het als eigen ervaren geslacht. Tenslotte is
empirisch handelen, dat wil zeggen de praktijk toont aan dat iets heilzaam
is, maar de theorievorming is niet compleet, de geneeskunde niet vreemd.
Menigeen zal tegenwerpen dat ook de knapste
hormoonspecialist en chirurg niet in staat zijn van een man 'een vrouw te
maken' of omgekeerd. Money heeft hierover het volgende gezegd. In de
geneeskunde is echte genezing zeldzaam. Meestal moeten patiënt en dokter
zich tevreden stellen met een minder mooi resultaat. Niet dat de patiënt
hiermee niet geholpen zou zijn. De diabetespatiënt kan redelijk normaal
verder leven met zijn synthetische insuline-injecties; hij is zeker niet
genezen, maar zijn leven kan weer redelijk normaal worden. Dit geldt ook
voor de transseksueel. Hij kan niet genezen worden; wel kan hij een
redelijk leven leiden als hij door hormonale en chirurgische behandeling
geholpen is. Net als de diabetespatiënt, weliswaar met een zekere
handicap, maar beter dan tevoren. Per saldo heeft de geneeskunde in het
huidige tijdsgewricht de lijdende mens niet veel meer te bieden en vaak is
het ook al heel aardig, ook al is het niet volmaakt. Natuurlijk moet de
behandeling van transseksuelen, net als andere behandelmethoden in de
geneeskunde op zijn heilzaamheid getoetst worden. Dat gebeurt en de eerste
resultaten zijn bemoedigend.
De transseksueel zelf
De transseksueel zelf
ervaart zijn lichaam als een duistere kerker waarvan de sleutel zoek is.
Meestal is het gevoel in het verkeerde lichaam te zitten al vroeg in hun
leven begonnen, vaak al op vier- of vijfjarige leeftijd. Niet dat ze toen
al wisten dat ze transseksueel waren. Het onbehagen was vaag en diffuus.
Meestal was een confrontatie met een mens in dezelfde situatie nodig om
helderheid te krijgen. Duidelijker werd het in de puberteit toen de
geslachtshormonen onderstreepten wat ze niet wilden zijn. Hun onbehagen en
verdriet viel niet te delen met anderen. Het is zo onvoorstelbaar dat je
je geen man of vrouw voelt als je lichaam toch zo duidelijk deze boodschap
afgeeft. Opdat men zich daarbij toch iets kan voorstellen, geef ik het
volgende ter overdenking. Stel dat je als man wakker wordt met vrouwelijke
borsten; niet zo imaginair, het bestaat als verschijnsel en vaak is het
medisch onschuldig. Zo'n man zal zich verward en 'aangetast' voelen en
naar de dokter gaan. Deze zou kunnen zeggen dat het weliswaar niet
alledaags is maar medisch onschuldig. Je kunt er honderd mee worden en
waarom zouden we dure medische voorzieningen daarvoor moeten aanspreken.
Hij weet toch dat hij een man is. Transseksuelen leven voortdurend in zo'n
situatie dat ze hun lichaam als een ontkenning beleven van wat ze in hun
diepste wezen zijn. Een eenzaam bestaan. Deze belasting komt hun normale
ontplooiing als jongeman of jongevrouw niet ten goede en evenmin hun
scholing. Als ze in een grootsteedse omgeving wonen leren ze misschien
enkele lotgenoten kennen, niet zelden in de marge van de maatschappij. In
de entertainment of in de prostitutie valt hun 'afwijking' nog wel te
exploiteren. Zo kunnen ze verworden tot de spraakmakende en
gezichtsbepalende vertegenwoordigers van 'hun soort', tot 'zondaars'.
De psychomedische
onderkenning van hun moeilijke situatie, het theoretische kader waarin hun
gender-identiteitsprobleem geplaatst kon worden, en de wettelijke
mogelijkheden om verder door het leven te gaan als lid van het gewenste
geslacht, hebben ongetwijfeld bijgedragen aan de emancipatie van
transseksuelen. Maar was het misschien een emancipatie van zondaar naar
zieke? Worden ze nu geboekt als lijders aan een stoornis in de
geslachtelijke differentiatie? Op basis van biomedische theorievorming is
het toch een stoornis? Of is dit soort geneeskunde toch te beperkt en moet
er hier toch geneeskunst aan te pas komen? Transseksuelen zelf voelen zich
niet gestoord, niet ziek. Natuurlijk, ze hebben de technieken van de
geneeskunde nodig om te worden wie ze zeggen te zijn. Net als andere
mensen willen ze een normale plaats innemen in dit leven, in deze
samenleving. In feite is hun levenssituatie ook niet zo anders dan bij
anderen bij wie iets duidelijker lichamelijks mis liep in het
wordingsproces tot man of vrouw. Ook zij moeten leven met een staat van
man- of vrouw-zijn die niet helemaal gewoon is en misschien beperkingen
kent. Maar de geneeskunde moet hen in staat stellen te leven in
zelfrespect, en niet als zondaar of zieke. En de geneeskunde moet de
politiek, de media en de samenleving (steeds weer!) uitleggen dat het geen
verworvenheid is, geen keuze. Het gaat om mensen die in dat schijnbaar zo
vanzelfsprekende en 'natuurlijke' proces van man- of vrouw-worden, averij
opliepen, maar die niet minder recht op geluk hebben dan anderen.
Literatuur
|
|
|
|
||